Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nationaal-liberalen en den steun van het centrum behoeven zou. De sociaal-democratische partij begon, nadat op het congres te Gotha (1875) de vereeniging van de Marxisten en de „Allgemeine deutsche Arbeiterverein", de stichting van Lasalle, was tot stand gekomen, een snel toenemende kracht te ontwikkelen; het aantal afgevaardigden dier partij in den rijksdag, dat in 1871 slechts twee had bedragen, werd door de verkiezingen van 1877 op twaalf gebracht, het getal stemmen, op hare candidaten vereenigd, steeg tot bijna een half millioen, en de revolutionnaire geest, waarvan deze beweging was doortrokken, wekte bij de regeering klimmende bezorgdheid. Verdediging tegen dit gevaar begon Bismarck noodig te achten, maar evenzeer kwam hij tot de overtuiging, dat de nooden der arbeiders maatregelen van voorziening vroegen. Ook andere verschijnselen op oeconomisch gebied hielden hem bezig. De jaren van 1850—70 waren voor Duitschland tijden geweest van zeer gedijelijke ontwikkeling, de industrie had een groote vlucht genomen, de landbouw, zich meer en meer van de nieuwste en beste hulpmiddelen bedienend, was krachtig vooruitgegaan. Dan waren de beruchte „Griinderjahre" gevolgd, die gekenmerkt werden door de onmatige uitbreiding van kapitalistische ondernemingen, een roes van speculatie, een dolle jacht naar snellen rijkdom, die in 1873 en 1874 op den onvermijdelijken „Krach" uitliep. En nu deden zich ook de gevolgen gevoelen der groote uitbreiding van het moderne verkeer, die het vervoer van de producten der verschillende landen zoo veel vergemakkelijkte; de landbouw zag de Duitsche markten overstroomen met graan van andere landen, zoodat hij dringend om bescherming begon te roepen; en de Duitsche nijverheid, die in verschillende takken pijnlijk de mededinging van artikels uit den vreemde gevoelde, stemde met dien kreet in. Zoo werd de rijkskanselier van verschillende zijden gedrongen tot beantwoording der vraag, of hij met de nationaal-liberalen de politiek van staatsonthouding zou blijven volgen of een anderen weg inslaan. Daarmee verbond zich voor hem nog een ander probleem. Hij wenschte het Rijk financieel zelfstandig te maken en van hooge inkomsten te verzekeren; tot dien tijd had het geen eigen middelen maar ontving van de verschillende staten, waaruit het Eijk was gevormd, bijdragen die berekend waren naar het bevolkingscijfer, de zoogenaamde Matrikularbeitrage, over wier zwaren en ongelijken druk veel werd geklaagd, terwijl toch de behoeften van het Rijk gestadig stegen. Bismarck zon op middelen om te verkrijgen wat noodig was; hij dacht over een

Sluiten