Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Boheeraschen landdag reeds opgegeven en in 1878 hunne zetels daar ingenomen; ten gevolge van onderhandelingen, die Taaffe met hen had aangeknoopt, deden zij in het najaar van 1879 ook weer hun intrede in het huis van afgevaardigen, waar zij thans, te zamen met andere Slavische groepen, met de klerikalen en met de feodale grondbezitters, eene meerderheid vormden. Taaffe ondernam het nu om, steunend op deze meerderheid van zeer verschillende elementen, eene regeering te voeren, die in de eerste plaats keizerlijk — in tegenstelling met parlementair — wilde zijn. Bij zulk eene richting pasten de Duitsch-liberalen in het ministerie niet, en omstreeks liet midden van 1880 waren zij dan ook reeds door anderen vervangen; de Duitsch-liberalen waren thans van de regeering uitgesloten. Die uitsluiting werd nog bevestigd door de kiesrechthervorming van 1882, die wel niet op initiatief der regeering maar toch met hare instemming tot stand kwam; voor de curiën der steden en der landgemeenten verlaagde zij den census tot vijf galden in de direkte belastingen en gaf daardoor het kiesrecht aan de kleine burgers. Deze nu gebruikten dit recht niet ten gunste der oude, grootburgerlijke liberalen, die zich nooit om hen bekommerd hadden, maar versterkten de rijen hunner tegenstanders, hetzij dat de klerikalen of de aristocraten, hetzij dat de jong-liberalen of de anti-semitische richtingen hen voor zich wisten te winnen, richtingen die vooral vertegenwoordigd werden door de Duitsch-nationalen onder Yon Schönerer maar weldra nog meer en machtiger door de christelijk-sociale partij, die te Weenen in den „schonen Karl", alias Karl Lueger, zijn uiterst populairen en handigen leider vond.

De arbeidersstand had van deze kiesrechthervorming geen profijt maar hield toch de aandacht der regeering bezig in meer dan één opzicht. De radicale richting, die in de arbeidersbeweging de overhand begon te krijgen, werd door het ministerie-Taaffe scherp vervolgd en gestraft voor hare gewelddaden, waartegen de anarchistenwet* van 1886 ook gericht was. Doch evenals Bismarck in het Duitsche Rijk, liet het ministerie-Taaffe aan zulke pogingen tot onderdrukking der beweging zegenrijke wetgeving tot bescherming der arbeiders evenwijdig gaan. In 1883 kwamen wetten tot stand, die een maximalen arbeidsduur voor mannen, eene vermindering van den arbeidstijd voor vrouwen en kinderen en Zondagsrust vaststelden, in 1886—1888 volgden wetten op de verzekering tegen ongevallen en ziekte. Maar evenmin als in het Duitsche Rijk werd hierdoor de uitbreiding eener sociaal-democratische

Sluiten