Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sterke immigratie, die hierdoor was uitgelokt, had tot het verleenen der nieuwe instellingen een krachtigen stoot gegeven. De nieuwe inrichtingen en verhoudingen gaven in enkele kolonies aanvankelijk wel aanleiding tot eenige moeilijkheden en in Nieuw-Zeeland leidden conflicten tusschen de kolonisten en de Maoris over den eigendom van den grond in de jaren 1860—1870 herhaaldelijk tot bloedigen strijd, doch in het algemeen genomen, brak nu toch voor de koloniën een tijd aan van gedijelijke ontwikkeling, en vooral de jaren van 1870 tot 1890 waren voorspoedig. In verhouding tot de grootte van het land bleef de bevolking gering, maar zij nam niettemin in deze periode zeer aanzienlijk toe: tusschen 1861 en 1891 steeg zij in Nieuw Zuid-Wales van 358 278 tot 1 132 234, in \ictoria (dat reeds vóór 1861 de groote immigratie ten gevolge der ontdekkingen van goud ondervonden had) van 541 800 tot 1 140 405, in Zuid-Australië van 126 830 tot 320 43], in Tasmanië van 90 211 tot 152 619, in West-Australië van 15 691 tot 49 782, in Queensland van 34 885 tot 393 718, in Nieuw-Zeeland van 99 02] tot 634 058 zielen (ongerekend de Maoris). De inheemsche bewoners legden weinig of geen gewicht in de schaal bij de ontwikkeling der Australische kolonies, zij waren daartoe noch talrijk noch sterk genoeg, behalve op Nieuw-Zeeland de Maoris, die in 1891 nog ruim 40 000 zielen telden, en met wie, ook na de zoo even genoemde oorlogen, rekening moest worden gehouden; zij woonden vooral, wel voor meer dan drievierden, in het noordelijke eiland, hadden nog een aanzienlijk gedeelte van den grond in eigendom en werden ook door afgevaardigden in de wetgevende vergadering der kolonie vertegenwoordigd. Doch in de andere kolonies had de inheemsche bevolking geen beteekenis, zelfs niet in de grootste en minst ontwikkelde, West-Australië, zoodat moeilijkheden van een inboorlingen-vraagstuk zich hier niet voordeden. En evenmin had men hier de kwestie der samensmelting van verschillende blanke bevolkingselementen; de Australische kolonisten waren verre en verre overwegend Britten, menschen van gelijke afstamming en opvattingen. De aanwas van bevolking was grootendeels te danken aan natuurlijke vermeerdering, doch bij tijden ook aan immigratie, die echter ook weer bijna uitsluitend uit Groot Brittannië en Ierland plaats had. Behalve in jaren van nieuwe goudontdekkingen of van bizondere bedrijvigheid (1881—1885) was die immigratie nooit zeer groot; daartoe was niet alleen de afstand te ver maar ook waren de vooruitzichten er niet aanlokkelijk genoeg, en de koloniale regee-

Sluiten