Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ringen zelve hielden gaandeweg op immigranten aan te trekken; in 1873 schafte Victoria de voordeelen af, die tot dien tijd hun waren verzekerd, en een aantal jaren later volgden Zuid-Australië, NieuwZuid-Wales en Tasmanië dit voorbeeld. Andere dan blanke immigranten, in het bizonder de Chineezen, weerden de kolonies zelfs met nadruk af. In aanzienlijken getale waren zij voor het eerst verschenen na de ontdekking der goudvelden, en spoedig hadden Victoria, Nieuw-ZuidWales en Zuid-Australië tegen hun binnendringen een dam opgeworpen door een extra-belasting te leggen op de eigenaars van schepen, die Chineezen aanvoerden. Dit hielp. Maar toen later in Queensland goud werd gevonden, begon de Chineesche toestrooming opnieuw. Doch thans nog sterker dan vroeger verzette zich de blanke arbeidersbevolking tegen de mededinging van deze goedkoope werkkrachten, en ofschoon sommige rijke ondernemers hier begrijpelijkerwijze een anderen kijk op hadden, namen de koloniale regeeringen in 1881 en 1888 nieuwe maatregelen om den Chineezen feitelijk de immigratie onmogelijk te maken: een aanzienlijk recht werd geëischt van eiken Chinees die aankwam, en daarenboven werd verboden, dat de schepen meer dan één Chinees per honderd ton inhoud aanbrachten.

Bescherming en hulp tegen gevreesde concurrentie, ongetwijfeld de krachtigste drijfveeren tot deze anti-Chineezenpolitiek, waren geheel in overeenstemming met wat de meerderheid der bevolking in de verschillende kolonies van hare regeeringen verlangde. En die meerderheid kreeg allengs meer gelegenheid zich te doen gelden door wijziging der instellingen in democratischen geest; behalve in Tasmanië werd in alle kolonies algemeen stemrecht voor mannen ingevoerd, waar het de verkiezingen gold voor het House of Assembij (tweede kamer), terwijl in verschillende kolonies de census voor het stemrecht en de verkiesbaarheid ten opzichte van den Council (eerste kamer) werd verlaagd; ook de bezoldiging der kamerleden kwam gaandeweg tot stand. Een eigenlijke arbeiderspartij, die later zooveel invloed heeft gekregen, bestond in deze jaren, tot ongeveer 1890, nog niet; de vakvereenigingen streden, en met succes, voor gunstige arbeidsvoorwaarden, maar streefden nog niet naar politieke macht. Niettemin speelde ook in deze periode de staat reeds duidelijk de rol van algemeen verzorger en was men gewoon op hem te steunen voor de regeling van allerlei belangen. Scherp sprong dit in het oog bij het belangrijke vraagstuk van den aanleg van spoorwegen, die zoo dringend noodig

Sluiten