Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was zij tot 62 000 000 geklommen; tot dit laatste getal behoorden 9 250 000 personen, die buiten Amerika waren geboren, en ongeveer 11 000 000, die wel in Amerika geboren waren doch uit ouders, die daar waren geimmigreerd.

Aldus waren de omstandigheden steeds gunstiger geworden om de en

groote natuurlijke rijkdommen van een ontzaggelijk gebied, dat bovendien nog bevoorrecht was door een prachtige kust in het Oosten en door uitnemende rivierverbindingen, in ruimere mate te ontginnen dan vroeger mogelijk was geweest, en met alle energie was en werd hiervan gebruik gemaakt. Zoowel de landbouw en de veeteelt als de industrie ontwikkelden zich in korten tijd op reusachtige wijze, en al ondervonden zij ook tijden van druk en nood, toch gingen zij over het algemeen met groote sprongen vooruit. Opmerkelijk was de sterke toeneming der tarweoogsten: in 1870 bracht deze verbouw 2.35 millioen,

in de jaren 1880—1890 gemiddeld 450 millioen schepels op. En zooals met de tarwe ging het met de maïs, zelfs in nog sterkere mate, waarbij zich weer een zeer aanzienlijke uitbreiding van de veeteelt, niet het minst van de varkenfokkerij, aansloot. Het waren vooral de noordelijke middenstaten, die geholpen ook door de toepassing van landbouwmachines en van verschillende hulpmiddelen voor snel en gemakkelijk vervoer der producten, dezen geweldigen vooruitgang teweegbrachten. Doch ook de zuidelijke staten, waar vroeger het systeem der groote plantages had geheerscht, herstelden zich betrekkelijk spoedig van de gevolgen van den burgeroorlog en voorzagen opnieuw de wereldmarkt van verreweg het grootste gedeelte der gevraagde katoen. Thans evenwel geschiedde de verbouw niet meer op de uitgestrekte plantages maar op bedrijven van kleineren omvang, en hoewel de ondernemers te kampen hadden met verschillende moeilijkheden — gebrek aan voldoende werkkrachten, gebrek ook aan genoegzaam kapitaal — steeg de katoenproductie toch weer gestadig; in 1871 had zij weer ongeveer dezelfde hoogte bereikt als vóór den oorlog, twintig jaar later was zij verdubbeld en van omstreeks 2000 millioen tot ruim 4000 millioen pond geklommen.

Naast landbouw en veeteelt ontwikkelde zich de nijverheid, waartoe de natuur den Amerikanen ook de voortreffelijkste middelen biedt, het tarief. Het want de bodem is, behalve aan goud, zilver, koper, vooral ook rijk Ma°a^°ley" aan kool, ijzer, petroleum. Reeds lang vóór den Secessie-oorlog was eene inheemsche industrie zich beginnen uit te breiden, en de aanleg van spoorwegen had er een grooten stoot aan gegeven, vooral aan de

Sluiten