Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maatregelen waartoe de Keizer zelf in een paar zijner veelvuldige redevoeringen zijne onderdanen had opgeroepen met den krijgskreet: „Auf zum Kampfe für Religion, für Sitte und Ordnung gegen die Parteien des Umsturzes". Docli reeds geruimen tijd was de positie van Caprivi van dien aard, dat sommigen zijn heengaan al eerder hadden verwacht: bij geen der partijen in den rijksdag vond zijn arbeid waardeering; de eeue weet hem deze, de andere gene teleurstelling, en sinds de nieuwe handelspolitiek was begonnen, had hij het in toenemende mate vooral bij de conservatieven verkorven, wier wrok bij iedere schrede op dien weg was toegenomen. En aangewakkerd werd de ontstemming tegen hem, zoowel bij verschillende groepen in den rijksdag als in breede kringen daarbuiten, door de bittere kritiek die zijn voorganger bij voortduring op hem bleef oefenen, op de legerwetten, op de handelstractaten, op de buiteulandsche politiek. Eigenlijk trof die kritiek den Keizer niet minder, maar op Caprivi, die zich vermeten had Bismarck's plaats te bezetten, kwamen toch de slagen neer. En veel dank ondervond liij bij slot van rekening ook niet van Wilhelm's zijde. Deze kon op den duur de oogen niet sluiten voor het onmiskenbare feit, dat de verwijdering tusschen hem en den grooten man te Friedrichsruhe, die omringd bleef door de dankbare vereering van een aanzienlijk deel der Duitsche natie, aan zijn aanzien schade deed. Toen in het najaar van 1893 Bismarck ernstig ziek werd, greep hij dan ook die gelegenheid aan, om althans eeue uiterlijke verzoening voor te bereiden door blijken van belangstelling te geven; dan volgde weldra na het herstel van den zieke eene uitnoodiging voor een bezoek te Berlijn, dat inderdaad in Januari 1891 werd gebracht en in Februari door den Keizer werd beantwoord te Friedrichsruhe. Het een en ander gaf groote voldoening aan het Duitsche volk, maar voor Caprivi was het zeer hard, nog niet zoo zeer om de gunst welke betoond werd aan den man, die hem zonder genade had vervolgd sedert hij aan de roepstem van zijn koning en keizer had gehoor gegeven, als wel omdat dit alles geschiedde geheel buiten hem om; hij werd er volstrekt niet in gekend. „Onder zulke omstandigheden zou ik geen rijkskanselier willen zijn", teekende Chlodwich von Hoheulohe-Schillingsfiirst in zijn dagboek aan. Caprivi echter bleef nog een half jaar het juk torsen, doch het is wel zeer verklaarbaar, dat hij het afwierp, toen het verschil van meening over maatregelen tegen den „Umsturz" hiertoe een passende gelegenheid bood. Op het eind van October 1894 kreeg hij,

Sluiten