Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

derzelfde mannen bleef. De entente van Augustus 1891 tusschen Frankrijk en Rusland vormde niet een eigenlijk verbond, doch naar alle waarschijnlijkheid slechts eene afspraak om, gelet op het gemeenschappelijk belang, dat de beide mogendheden hadden bij het bewaren van den algemeenen vrede in Europa door middel der handhaving van een zeker evenwicht van krachten, zich met elkaar te verstaan over de bescherming van dit gemeenschappelijk belang, telkens als het dreigde geschonden te worden. Het was een vrij losse verbintenis, die in het oog der Fransche staatslieden noodzakelijk aanvulling behoefde, allereerst in dit opzicht, dat tusschen de beide mogendheden, die tot samenwerking geroepen zouden kunnen worden ter verdediging van het gemeenschappelijk belang, een overeenkomst werd getroffen over organisatie, omvang, verdeeling harer krijgsmachten, die immers een tegenwicht tegen de legers der Triplo-Alliantie zouden moeten vormen. Een militaire conventie met Eusland tot stand te brengen, dat was het streven van Freycinet en Eibot, en dit schijnt in zekere mate te zijn bereikt in Augustus 1892, toen de sous-chef van den generalen staf, generaal de Boisdeffre, naar Eusland werd gezonden, om de groote manoeuvres van het Eussische leger bij te wonen, maar vooral om eene militaire overeenkomst te sluiten. Haar inhoud is nimmer bekend geworden, en de vermoedens, die er wel over zijn uitgesproken, kunnen hier ter zijde worden gelaten. In ieder geval echter, al haalde zij den band wat nauwer toe, bracht zij in den aard der verbintenis tusschen de twee mogendheden geen verandering; deze bleef nog beperkt tot de vage entente; een verbond met nauwkeurige vaststelling van wederzijdsche verplichtingen in bepaalde gevallen bestond nog niet. Toch waren deze militaire afspraken stellig een stap naar zulk eene alliantie, waarop de Fransche regeering het oog bleef richten. Tijdelijk kwam nu echter storend de Panama geschiedenis tusschen beide, die niet alleen het aftreden van Freycinet, straks ook van Eibot na zich sleepte, maar bovendien den Gzar ontstemde, omdat Fransche couranten er ook Morenheim, den Eussischen gezant, in betrokken. Daar de Fransche regeering zich evenwel beijverde, om den gezant en diens keizerlijken meester alle voldoening te geven, dreef deze wolk spoedig voorbij, en de algemeene verhoudingen waren voor beide mogendheden een krachtige prikkel, om zich als het ware onderling te verzekeren: de sterke uitbreiding der Duitsche krijgsmacht, die door de legerwet van 1893 werd vastgesteld, de wrijving van de Engelsche en Eussische politiek

Sluiten