Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stemming daar was, had de dreigende taal van pers en regeeringsmannen gedurende de onderhandelingen over de Nigerlanden getoond.

En bij diezelfde onderhandelingen was het bovendien aan den dag gekomen, dat de Britsche regeering Frankrijk niet aan den Nijl wilde dulden: in een brief van 10 December 1897 had de Engelsche gezant te Parijs nadrukkelijk verklaard, dat, naar de opvatting zijner regeering,

geen enkele andere Europeesche mogendheid eenig recht kon hebben,

om welk deel ook van het Nijldal te bezetten. Wel had Hanotaux hiertegen dezelfde reserves gemaakt als vroeger tegen Grey's uitlatingen in het Parlement, maar voor de stemming der Britsche regeeriDg was de verklaring toch kenmerkend; en al was het de gewoonte der Britsche diplomatie, een hoogen toon aan te slaan om daarmee te intimideeren, er was toch in de toenmalige omstandigheden inderdaad grond voor de vrees, dat zij van geen toegeven zou willen weten. Niettemin ware het goed geweest besprekingen te beginnen en niet het woord te laten aan de brutale feiten; doch de verandering van ministerie had niet alleen ten gevolge, dat het Duitsche rijk opnieuw werd afgestooten,

maar bovendien, dat men te Parijs tegenover Engeland bleef zwijgen,

totdat Kitchener den 2en September zijn beslissende zege bij Omdoerman had bevochten. Al dien tijd, bijna drie maanden lang, stonden de Fransch-Engelsche onderhandelingen over Afrika stil, en het werd 8 September, voordat Delcassé voor het eerst tegenover den Britschen gezant van de zaak repte. Hoewel men te Parijs toenmaals nog geen bericht had van Marchand's aankomst te Fasjoda, twijfelde men daaraan toch niet, op grond van hetgeen hij in Maart over zijne vorderingen had laten weten, en men besefte thans, dat ieder oogenblik eene ontmoeting plaats kon hebben tusschen hem en de troepen van Kitchener.

De Fransche minister van buitenlandsche zaken gewaagde nu tegen- Het Fasjcdaover den Britschen gezant van de hooge waarschijnlijkheid, dat de conflict. Britsche troepen spoedig kapitein Marchand zouden aantreffen; hij verklaarde, dat deze geen enkele volmacht had om over kwesties van recht te beslissen en sprak zijne verwachting uit, dat het Engelsche ministerie ook van meening zou zijn, de behandeling van zulke vraagstukken aan de regeeringen te moeten voorbehouden en dat het orders in dien geest aan Kitchener zou zenden, ten einde iedere botsing ter plaatse te voorkomen. Juist terzelfder tijd dat Monson, de Britsche gezant, bericht van dit onderhoud naar Londen seinde, bracht een telegram uit Cairo daar de tijding, dat volgens inlichtingen, door

Sluiten