Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

terie aan de hand was gedaan. Den 27» Januari droeg hij telegrafisch aan Hercules Robinscn op, den president tot overkomst uit te noodigen, ten einde alle vraagstukken betreffende de veiligheid der Zuid-Afrikaansché republiek en het algemeen welzijn van Zuid-Afrika te bespreken. Een punt evenwel werd nadrukkelijk uitgezonderd: verandering van artikel R der J'ondensche Conventie zou in geen geval door de Britsche regeering bewilligd kunnen worden.

geértophef- M?r ,'U19t ?1<; voorbehoud ontnam voor Krüger alle aanlokkelijkheid

flng van art. aan het denkbeeld. De geschiedenis van de laatste jaren, de politiek

IVdenLhen" ^ omsluitinS' die teëen de Bepubliek was toegepast, allermeest de

Conventie. P°gingen van de ministers te Kaapstad en te Londen om zich van de klachten der Britsche Uitlanders te bedienen, ten einde zich in hare binnenlandsche aangelegenheden te mengen, lieten aan de regeering te Pretoria geen twijfel, dat men haar dwingen wilde, zich naar den zin der Britten te voegen. Onder zulke omstandigheden werd de Londensche Conventie steeds meer als een knellende band gevoeld, in bijzonder artikel IV, want welken naam men ook geven wil aan de staatsrechtelijke verhouding, die voortvloeide uit de verplichting der Republiek, om de verdragen, die zij met andere mogendheden sloot, aan de goedkeuring der Britsche regeering te onderwerpen, het is buiten twijfel, dat hierdoor een zekere voogdij dier regeering over de Republiek gevestigd was. Haar hiervan te bevrijden, was een vurig verlangen; wanneer iedere vorm van Britsche opperhoogheid over haar was weggenomen, wanneer hare betrekkingen met Engeland onbetwistbaar zouden worden beheerscht door het internationale recht, dat in het verkeer tusschen souvereine staten wordt erkend, zou zij in een veel gunstiger positie zijn, om pogingen tot bemoeienis met hare inwendige aangelegenheden af te wijzen, geheel ongerekend de vrijheid van beweging in hare internationale betrekkingen, die er het gevolg van zou zijn President Krüger meende, dat de juist gepleegde verraderlijke aanslag op de Republiek misschien de gelegenheid zou bieden, om dat doel te treffen; hij en zijne raadslieden oordeelden, dat de Britsche regeering, zij het al, dat zij niet medeplichtig was, toch wat goed te maken had aan de Republiek wegens het misdrijf, dat Britsche onderdanen tegen haar hadden begaan, en dat die vergoeding bestaan kon in eene herziening der Londensche Conventie. Eene uitnoodiging om te Londen besprekingen te komen houden, waarbij onveranderde handhaving van art. IV der Conventie voorop werd gesteld, scheen dus al heel onaan-

Sluiten