Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

natuurlijk bij China. Dat kon niet nalaten indruk te maken, en werkelijk had nu de Keizer in 1898 de voldoening, dat het ontwerp voor de uitbreiding der vloot, opgemaakt door den nieuw benoemden staatssecretaris voor marine, Tirpitz, door den Rijksdag werd aangenomen,

dank zij de hulp van het centrum. Tot 1904 was de aanbouw ontworpen van 7 linieschepen en 9 kruisers.

Zoo ging het Duitsche rijk, naar 'sKeizers wensch, zich toerusten om ook ter zee een groote mogendheid te worden, al was dit nog maar een begin en al zou er nog heel wat moeten volgen, eer Wilhelm tot rust kon komen; immers hij had verklaard, dat hij niet rusten zou „bis ich meine Marine auf dieselbe Höhe gebracht habe, auf der sich die Armee befindet."

Met de vestiging der Duitschers in Kiao-Tsjeoe ging dus de uitbreiding der oorlogsvloot gepaard. Noch het een noch het ander werd m Engeland met gunstig oog aangezien: het telegram aan president Kruger van Januari 1896 was niet vergeten, de Duitsche mededinging op de wereldmarkt werd in de kringen van handel en nijverheid bij voortduring gevoeld, handelingen en maatregelen als thans door het Duitsche rijk werden verricht en genomen, werden met wantrouwen gadegeslagen, en in de Engelsche pers kwam die stemming ook tot uiting. De regeering echter bleef aan vriendschappelijke betrekkingen met het Duitsche rijk groote waarde hechten ter wille van hare Afrikaansche politiek en hare verhouding met Frankrijk en Rusland; want zooals .frankrijk de groote mededinger was in het zwarte werelddeel, bleef Rusland in Azië de gewantrouwde macht, die in toom moest worden gehouden; en nu zij in Afrika zoo zeer in beslag werd genomen, was haar veel gelegen aan de goede gezindheid der Duitsche regeering, in het bijzonder met het oog op de ontwikkeling der aangelegenheden in Oost-Azië.

Het is opmerkelijk, dat bij de gebeurtenissen in China van 1898 Japan. Bln. Japan zich nagenoeg geheel ter zijde hield. Men heeft dit wel willen neniandsche verklaren uit slim beleid: de onbaatzuchtigheid van Japan, treffend uit- n">e*Uik' komend tegenover de grijp- en roofzucht der westersche Barbaren, zou m de toekomst hare belooning vinden in dankbaarheid en vertrouwen der Chineezen, die zich dan te eer aan de leiding der Japanners zouden overgeven. Op zulke berekeningen van erkentelijkheid pleegt men echter geen politieke gedragslijn te gronden; die basis is inderdaad te zwak. Misschien ook is Japan's onthouding beter te verklaren uit zijne

Sluiten