Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en hoe betrekkelijk onverschillig de publieke opinie daarentegen bij botsingen met Groot-Brittannië bleef, had een vergelijking van de Dreyfus- met de Fasjoda-crisis geleerd. Sedert 1898 was bovendien door Ruslands steeds actievere politiek in het Verre Oosten de Tweebond bedenkelijk bezig van karakter te veranderen. Door de Fransche regeerders was het Russische bondgenootschap bedoeld als middel tot versterking van Frankrijks vastelandspositie tegen Duitschland, maar ± 1903 waren de betrekkingen tusschen Rusland en Duitschland voortreffelijk en waar zou het heen, wanneer die ontwikkeling der zaken duurde? Dan liep het uit op een vastelandsbond tegen het Britsche rijk, waarin Frankrijk slechts nummer drie geweest zou zijn en waarbij het kans geloopen had, in geval van oorlog alles weer te verliezen wat het de laatste decennia gewonnen had.

Ook aan Britschen kant had in de eerste plaats de ontwikkeling der feiten zelf tot de betere verstandhouding geleid. Sedert 1902 (het bondgenootschap met Japan) was het uit geweest met de „splendid isolation" van het Britsche rijk. Dat systeem, dat zin gehad had in de dagen van de absolute onaantastbaarheid zoowel der marine, der industrie als der koloniën van de Britten, kon ± 1903 nog slechts verdedigd worden hetzij door conservatieve hetzij door radicale kortzichtigheid. In de 20"te eeuw stelde het Engeland bloot aan een bondgenootschap van al z'n concurrenten, waartegen ook de alliantie met Japan geen voldoende waarborgen opleverde. Het verdient in dat verband opmerkzaamheid, hoeveel gevaar er voor de Engelschen school in de goede betrekkingen van dien tijd tusschen Rusland en den Driebond, in de dagelijks inniger wordende verhouding tusschen Frankrijk en Italië. Geen wonder, dat in 1902 een toongevend tijdschrift van de „splendid isolation" repte als van de „splendid complication". De troonwisseling van 1901 was aan de veranderde staatkunde slechts voordeelig geweest. Eduard VII, met zijn verfijnde, dnndyneuze beschaving, was Frankrijk goed gezind. Zoo ook Lord Lansdowne, die in 1900 Salisbury als minister van buitenlandsche zaken was opgevolgd. Maar zooals zoo dikwijls in de politiek was ook hier de ware drijfveer de bittere noodzakelijkheid. Indien men het daarentegen eens bracht tot algeheele oplossing der hangende geschillen met Frankrijk, dan zou de situatie ineens totaal gewijzigd zijn: de oude vriendschap met Italië hersteld en een toenadering zelfs tot Rusland voorbereid. En daarmee de omsingeling van Duitschland verkregen? Stellig zal 't zoowel voor de Fransche als de

Sluiten