Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

partijen en de parlementskwestie werd begraven in een commissie, die een compromis zou zoeken. De oplossing werd echter niet gevonden en het Hoogerhuis probeerde de zaak op zijwegen te leiden door voor zich een soort verjongingskuur te bedenken: het sprak zich op voorstel van Rosebery uit voor een eenigszins anders samengestelde Eerste Kamer, waarin geen leden ineer zouden zitten krachtens erfrecht. Behalve een demokratisch tintje had dit voorstel bovendien nog het voordeel, de a.s. bijbenoeming van te voren te disqualificeeren. De regeering bleef echter bij haar aangenomen gedragslijn en ging tot ontbinding over, toen de nieuwe koning ook liever eerst verkiezingen wilde. En het jonge Lagerhuis, zooals het samengesteld was na de verkiezingen van December 1910, zag er nagenoeg zoo uit als het vorige. Toen plooiden zich de Lords en, uit vrees voor demokratische vermenging, slikten ze de Parleinentswet in Augustus 1911.

„Poiitiqu? de Zoo zegevierde nog in Engeland gedurende het tijdvak 1906—1911 apaisement"' een kracl,tige radicale politiek. Op het vasteland van Europa echter in Frankrijk — meer blootgesteld aan de dreiging van de sedert 1906 niet meer Terwordfng0'aftrekkende oorlo£swolken — verzwakte meer en meer de demokratie.

van het Ook in Frankrijk. Wel regeerden in dat land gedurende de overeenradicahsme. fcomstige periode radicale ministeries: eerst nog korten tijd dat van Rouvier (tot Maart 1906), vervolgens ruim drie jaar de kabinetten van den gevreesden „Tijger" Georges Clemenceau en daarna van Juli 1909 tot Februari 1911 het eerste bewind van den ex-socialist Aristide Briand. Maar al liet het „radicale"' druk-doen van deze regeeringen niets te wenschen over — standbeelden-onthulling van Scheurer Kestner, van Waldeck Eousseau, bijzetting in het Pantheon van Zola — er waren teekenen die er op wezen, dat men te doen kreeg met een „radicalisme", dat bezig was te verworden. De breuk met de geunifiëerde socialisten werd hoe langer hoe onherstelbaarder, in het koloniaal avontuur werden ook deze kabinetten hoe langer hoe dieper vastgezogen — te opmerkelijker, waar Clemenceau juist degene geweest was, die voorheen de kolonialistische staatkunde het scherpste bestreden had — het benauwende vraagstuk der buitenlandsche politiek beheerschte meer en meer alles. Toch is er dikwijls onbillijke critiek geoefend op de daden der fransche regeeringsmannen van deze jaren. Geen enkele andere richting kon nog in Frankrijk regeeren dan de radicale, dat bewezen telkens de verkiezingen, en ook nu weer bleven de gewone teekenen van corruptie bij zoo'n sterke meerderheid niet uit: machtsmisbruik,

Sluiten