Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

troepensterkte mocht bepalen, waren geschonden, liet niet na indruk te maken en de uitslag der „Hottentotten verkiezingen", zooals Bebel ze noemde, was dan ook, dat de Conservatieven van 74 zetels op 88 vooruitgingen, de Nationaal-Liberalen van 51 op 55 en de Vrijzinnige groepen van 86 op 51. Het Centrum bleef ongeveer gelijk, van 104 op 105, maar de Sociaal-Democraten verloren 36 zetels en liepen van 79 op 43 terug. Alsof de sociaal-democratie nog een secte was, die zich bij het verlies van het politiek moment vleien mocht met het triumpheeren van het „principe", troostten de socialisten zich ermee,

dat hun stemmenaantal vooruit was gegaan van 3.0] 1.000 op 8.539.000. De vooruitgang van het nationalisme in Duitschland ging met reuzenschreden, want ook het Centrum behoorde natuurlijk in nationaal opzicht voortaan tot Yon Bülow's „blok". Sedert 1907 hebben de katholieken zich tegen geen imperialistische maatregelen der regeering meer verzet. Zeker,

meer en meer „verscherpte zich de klassenstrijd tusschen alle burgerlijke groepen ter eener en de proletarische partij ter anderer zij'', „zooals Marx had voorspeld", maar dat in Duitschland zich geen anti-imperialistische coalitie heeft kunnen vormen, zooals in Engeland, — schuld van de mentaliteit der Duitsche vrijzinnigen en van de Duitsche sociaal-democraten beiden — is een van de oorzaken geweest van den ondergang van ons werelddeel.

Een nieuwe Kartel-politiek dus onder een nieuwen Bismarck ? Echter Het conserv». met dit verschil dat de partijen van het nieuwe conservatief-liberale tief-liberaie „blok" van 1907 minder bijeen hoorden dan die van het oude Kartel(i9Ö7>-i909). van 1887. Nooit keerden in Duitschland de tijden terug, dat conservatieven en nationaal-liberalen een genoegelijk onderonsje vormden. Er zou in het nieuwe Duitschland aan de demokratie moeten worden geofferd, dat was duidelijk. De 3'/2 millioen socialistische stemmen,

(al kon de partij, die ze behaald had bij de in Duitschland nu eenmaal bestaande realia er niets mee uitrichten), het feit, dat socialisten,

katholieken en Polen samen toch nog over de 1 millioen stemmen meer behaald hadden dan de „regierungsgetreue" partijen, bleven waarschuwende teekenen. Het wils toch maar zoo, dat een rijksdagmeerderheid den Keizer aangetast had in zijn gezag van militair opperbevelhebber. En impliceerde de hartstochtelijke wijze, waarop de regeering zich in den verkiezingsstrijd geworpen had, waarop ze zich aan het hoofd van het „blok" gesteld had, niet, dat ze zich nu tot parlementair ministerie van haar „meerderheid" gemaakt had? Hoe

Sluiten