Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met in mochten zitten. Bij de afhandeling van deze aangelegenheid gebeurde echter nog iets merkwaardigs, dat een scherp licht wierp op de eigenaardige „constitutioneele" toestanden in Rusland. De oktobnsten-partij, wier leider Goetsjkof president van de Doema geworden was, had door het uitschakelen der revolutionnaire partijen ruimte gekregen voor haar actie tegen bureaucratie en misstanden. Het kan niet worden ontkend, dat zij gebruik van die gelegenheid maakte, ofschoon ze in 't algemeen de staatkunde van het ministerie steunde. In 1908 had zij een feilen aanval gedaan op corruptie bij de marine, zelfs zoo, dat de grootvorsten Sergius en Peter als admiraals hun ontslag genomen hadden. Welnu, de Zemstvo-wet van Maart 1911 was goedgekeurd door de Doema, maar afgestemd door den Rijksraad (een soort Heerenhuis, zie Dl. III 542) en nu zond Stolypin Doema en Rijksraad voor vier dagen op reces en in dien tijd vaardigde hij de betreffende wet uit als Keizerlijke oekase volgens § 87! De oktobristen vatten de zaak ernstig op, maakten er een constitutioneele crisis van: Goetsjkof bedankte als Doema-voorzitter. En toen klonk bijna humoristisch van hypocrisie en brutaal cynisme Stolypin's verdediging. „Hij zou er niet aan gedacht hebben de clausule toe te passen, wanneer het betrof een of anderen maatregel, waarop de sanctie van de Doema noodig was, maar z. i. was de § zeker van toepassing in gevallen, waarbij zoo'n maatregel verworpen was door den Rijksraad, aangezien dit lichaam niet

de natie vertegenwoordigde, maar louter klassebelangen " Toch

rijst de vraag of door deze verdediging het geval in de nog altijd wordende parlementaire praktijk van Rusland toch ook niet een belangrijk precedent had kunnen worden. Zou Stolypin zelf of zouden latere ministers na deze toelichting, met § 87 toch tegen de Doema hebben kunnen optreden en zouden zij toch aan den Rijksraad evenveel waarde hebben kunnen toekennen als aan de Doema? Opmerkelijk was in ieder geval, dat Stolypin de moeite nam zijn houding voor de Doema te komen verdedigen, wat geen onbelangrijk verschil opleverde met 1906 en 1907. Hoe het zij, de revolutie van 1917 heeft aan de wording der parlementaire praktijk in Rusland een einde gemaakt en de groote minister zelf werd in 1911 vermoord. Op al die vragen zal dus wel nooit een antwoord kunnen worden gegeven. In den schouwburg te Kiëf schoot op 14 September een politiespion, de advocaat Brogrof, hem neer, in tegenwoordigheid van den Tsaar, ook hij dus op zijn beurt een slachtoffer der Oechrana. Maar, zij het dan niet alles

Sluiten