Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Agadir te zenden (1 Juli 1911), juist terwijl het zich bereid verklaarde om met Frankrijk onderhandelingen te beginnen, niet alleen over Marokko, maar over alle mogelijke koloniale verschilpunten, die in de laatste jaren waren gerezen en daarmee dus aan de moderne ententepolitiek die van den „ijzeren vuist" uit een feodaal tijdperk op weinig elegante wijze scheen te paren, — heeft vooral in Frankrijk en Engeland buitengewoon veel kwaad bloed gezet. De Engelsche schatkistkanselier David Lloyd George hield 21 Juli ten huize van den Londenschen Lord Mayor een opzienbarende rede, waarin hij verklaarde dat Engeland Frankrijk helpen moest, als het aangevallen werd en aldus voortging: „Ik geloof dat slechts kwesties van ernstige nationale beteekenis verstoring van den Europeeschen vrede kunnen rechtvaardigen, maar wanneer ons een situatie opgedrongen wordt, waarin de vrede slechts behouden kan blijven door de groote en weldadige positie op te geven, die Engeland zich verworven heeft in eeuwen van heroïsme en succes, — en slechts daardoor kan worden bewaard, dat Groot-Britannië in kwesties van vitaal belang behandeld wordt op 'n wijze alsof het in den raad der volkeren geheel niet meer meetelde, dan — ik leg er den nadruk °P — zou vrede tot iederen prijs een vernedering zijn, die een groot land niet zou kunnen verdragen. De nationale eer is geen kwestie van partij. De beveiliging van onzen internationalen handel is ook geen kwestie van partij." Er hadden in 191L en '12 weer besprekingen tusschen Fransche en Engelsche militaire en marine-deskundigen plaats en in October 1912 kwam in zooverre een kleine verandering in de eigenaardige entente-verhouding zonder concrete verplichting, waarin Engeland stond tegenover de Republiek, dat „de twee regeeringen — indien een oorlog onvermijdelijk scheen — de eventueel door de generale staven voorbereide conventies ten uitvoer zouden leggen."

Op voor haar bedenkelijke wijze had de Duitsche regeering de „entente cordiale" in een praktisch bondgenootschap veranderd en aan het komende Fransch-Duitsche koloniale verdrag bij voorbaat iedere reëele waarde ontnomen. Maar hadden de Fransche regeeringen Clemenceau en Briand het Duitschland eigenlijk wel mogelijk gemaakt om op andere wijze een compensatie te erlangen voor zijn toegeven in de Marokkokwestie? En omgekeerd, was het wel anders denkbaar geweest dan dat de Franschen ervoor teruggedeinsd waren om samen met de zoo energieke en „rücksichtslose" Duitschers de exploitatie van Marokko te beginnen ?

41*

Sluiten