Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij enernst, enijver, oneven, waardoor do vreemde woordvormen nernst (nu nog over in naarst-ig), nijver en neven in onze taal ontstonden. Kwam datzelfde en proclitisch vóór een met medeklinker beginnend woord als ive), dan ontstond uit het Mnl. enwech eerst het Mnl. ewech (vgl. Eng. away) en later door aphaeresis weg. Ook het ontkennend partikel en verloor die e bij enwaar (naast ten ware = het en ware), dat eerst ernaar, later maar werd, en wel reeds in het Middelnederlandsch. Zoo is ook geen ontstaan uit er/een voor engeen , negeen (Os. negen en nigên). ')

Evenals de pro- en enclisis in het Middelnederlandsch nauwkeuriger in het schrift is afgebeeld, dan in het Nieuwnederlandsch, vertoont ook het Middelhoogduitsch er meer voorbeelden van, dan het Nieuwhoogduitsch. Terwijl men in het Mnl. vormen als in voor icne telkens aantreft, vindt men in 't Mhd. herhaaldelijk vormen als stver, swaz, sivenne voor so wer, so ivaz, so wenne. Men denke verder aan vormen als zen, zes voor zi den, zi des en aan uitdrukkingen als seljlit Got (= so helfe iu Ooi) , te vergelijken met Mnl. semmi (= so helpe mi) en den lateren bastaardvloek sellewelcen (— Gods heilige d.i. heilige weken). Het Nieuwhoogduitsch kent nog am (=an dem), leim, im, vom,zum; ans (= an das), aufs, ditrchs, fürs, ins; zur (= zu der), zooals wij ten en ter gebruiken voor te den en te der.

Dat omgekeerd ook woorden, die op zich zelf verminkt zouden geworden zijn, door proclisis ongeschonden konden blijven, blijkt uit de Hd. pronomina mir, dir, ivir, ihr, er, die op 't eind eene r (uit z) hebben, welke zich in het Gotisch als s vertoont (in mis, thus, tveis, jus, is), evenals der en iver en de Ohd. adverbia op ">r (Got. ós). Die z is in alle "Westgermaansche talen geapocopeerd evenals iedere andere slot-2 volgens de "Westgermaansche apocopewetten der slotklanken (aicslautgesetze), en in 't Mnl. luiden die woorden dan ook mi, di, wi, gi, i, de (of, in analogievorm, die) en *ive (verdrongen door den analogievorm wie). Door proclisis vormden zij met werkwoorden of andere woorden als het ware eene syntactische koppeling, waarvan zij het eerste lid uitmaakten.

') In neg, met g uit li, zie men hetzelfde woord als het Got. nih en niet). Het komt ook voor in 't Ohd. nihhein, Mhd. nechein, nehein, zoodat het Hd. kein wel op dezelfde wijze ontstaan zal wezen als ons geen; maar Kluge acht dat — ook door apliaeresis — ontstaan uit Ohd. dihhein, Nhd. dechein: de samenstelling van ein met een nog altijd raadselachtig dih of dikh.

Sluiten