Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

palataal (ö of ii) iedere palataal (dus ö, ü, e, ï). Zoo kan b.v. in het Majyaarsch het suffix van den allatief hoz onveranderd blijven, als de hoofdlettergreep eene gutturaal (a, )/, ü of o) heeft, maar wordt het höz, als eene geronde palataal (ö of ü) in de hoofdlettergreep voorkomt, en hez, wanneer men daarin eene ongeronde palataal (e of i) vindt.

Het Turksch-Tatariseh gaat bij de vocaalharmonie nog wat verder, en het Jakutisch (in Siberië) zelfs zóóver, dat in hetzelfde woord of alleen ongeronde gutturalen (a, y) óf alleen ongeronde palatalen (e, i) of alleen geronde gutturalen (ü, o) of alleen geronde palatalen (ii, ö) kunnen voorkomen en bij uitzondering ook eene geronde en ongeronde gutturaal (u en a). ')

Bij het syllabaar-accent is wijziging in de accentuatie oorzaak geweest van diphthonjcering. In de meeste talen namelijk zijn twee soorten van klemtoon te onderscheiden: de stoottoon („gestoszne Ton") en de sleeptoon („schleifende oder gesclileifte Ton"). Bij den eersten is er slechts van één gelijkmatigen ademtocht sprake, wat den Duitschers aanleiding gegeven heeft eene lettergreep met dien toon in beeldspraak „eingipflig" (ééntoppig) te noemen. Bij den tweeden neemt de kracht der uitademing een oogenblik af, om daarna weer toe te nemen. De Duitschers noemen eene lettergreep, waarbij de toon tweemaal een hoogtepunt bereikt „zweigipflig", onverschillig of die toon zich daarbij de eerste maal (zooals meestal het geval is) sterker verheft dan de tweede maal of omgekeerd. Eene a met stoottoon is dus <i, eene met sleeptoon, i'ta of ad. In het beschaafd Nederlandsch zal men meestal stoottoon

i) Umlaut met deze vocaalharmonie gelijk te stellen, zooals wel eens gedaan wordt, gaat m. i. niet aan, daar, zooals wij vroeger reeds gezien hebben, de palataliseering daarbij dooi- middel van den tusschen beide klinkers in staanden medeklinker tot stand komt. Toch is de uitkomst van beide verschijnselen min of meer dezelfde. Gutturale vocalen worden er palatale door en ongeronde worden zoo gelabialiseerd. In het Keltisch schijnen umlaut en vocaalharmonie naast elkaar te moeten worden aangenomen ter verklaring van het feit, dat niet alleen, zooals bij den umlaut, voorafgaande vocalen door liet timbre van eene volgende vocaal worden gekleurd, maar ook volgende vocalen de klankkleur van eene voorafgaande aannemen. In elk geval kan men liet geen umlaut noemen, wanneer liet Latijnsche baculus, in liet Iersch opgenomen, daar bachail, het Lat. catholicun daar cathktc, het Lat. apostolus daar opstal en het Lat. epistola daar epistil wordt. Van invloed der accentuatie, die in het Oeral-altaïsch zoo nauw met de vocaalharmonie in verband staat, kan hier echter geene sprake zijn.

Sluiten