Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sten trap (schwundstufe) der e-rij vertegenwoordigen. Hoe het zij, in het oudste Germaansch reeds komt de wisseling l: i. (d.i. NI. ij : e in open, i in gesloten lettergrepen) en u : u (d.i. NI. ui: o) voor, o.a. in : bijten, beet, hitter, bits en gebit; blijken en blik; dijen i ter dege, dicht en dik; drijven, dreef', drift en dribbelen; grijpen en greep; kijven en kibbelen; knijpen, kneep en knip ; krijten en kreet, mijden en mis; nijpen en neep; rijden, rit en ridder; rijgen, regel en richel; rijten en reet; rijven, rif en reven; schrijden en schrede; slijpen, slepen en slip; slijten, sleter en beslissen; snijden, snede en snif; splijten, spleet en split; stijgen en steeg ; strijken, streek en strik; lijf (ook blijven) en leven; smijdig, smeden en smid; wijten, wijs, weten en wis, enz. De ablaut ü: u (NI. ui: o) vertoont zich bij: buigen, boog en bocht; sluipen en slop; sluiten en slot; zuigen en zog; snuiten en snot: duif en doffer, enz. Is de eit niet tot ü samengetrokken, maar eo (en in 't NI. ie) geworden, dan hebben wij natuurlijk met een ablaut der e-rij te doen, die zich als eo: u en in onze taal als ie: o voordoet, bv. bij: bieden, boden, bod; zieden en zootje-, gieten en goot; genieten en genot; klieven en kloof; lciezen en kost; verliezen en los; vriezen en vorst (voor vrost); liegen en logen; bedriegen en bedrog, enz. Natuurlijk kunnen ook woorden met eu en u (umlautsklanken der o in open en gesloten lettergrepen) klankwisselend met ui of ie in betrekking staan, zooals duiken met deuk ; sluiten met sleutel; kruipen met kreupel; rieken met reuk; bieden met beul; schieten met scheut; kiezen met keus of keur; verliezen met leus; mnl. tien met teug en teugel, vliegen met vleug en vleugel-, liegen met leugen', en verder buigen met bulken; druipen met druppel; klieren met klucht; genieten met nut; schieten met geschut; kiezen met te kust; mnl. tien met tuk en tucht; vlieden met vlucht; vliegen met vlug, enz.

Bij de vervoeging der werkwoorden doet zich zoowel qualitatieve als quantitatieve klankwisseling voor, en in de Germaansche talen onderscheidt men daarnaar zes klassen van wat .Tacob Grimm naar dien ablaut het eerst „sterke" werkwoorden heeft genoemd, die vroeger bij ons „ongelijkvloeiend" heetten. Alleen voor het Gotisch is daarbij nog eene zevende klasse te voegen met den qualitatieven ablaut ê: d, waarbij zich het Praeteritum nog bovendien van het Praesens onderscheidt door reduplicatie, zooals bij h'tan, Praet.

Sluiten