Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

enkele muta of spirant, bv. lesan (NI. lezen), las, lêsum (NI. lazen) uit *lélsum, lesans (NI. gelezen) uit *b>sans. De Vide kl. eindelijk onderscheidt zich van de overige door eene andere vocaal, quantitatief afwisselend in normalen en gerekten vorm : Indogerm. a: d of o: ó, uit welke beide in 't Germaansch de klankwisseling a: ó (NI. a: oe) ontstond, bv. faran (NI. varen), fSr (NI. voer). De klanken van het Praet. Plur. (= aan dien van den Sing.) en van het Part. Perf. (~ aan dien van het Praesens) zijn m. i. nog niet afdoende verklaard. Misschien is soms de Germ. a hier te beschouwen als zeer vroege verzwakking van Indg. d en heeft men dan oorspronkelijk een qualitatieven Indogerm. ablaut d : u gehad.

liet wisselend accent, waaruit de ablaut ten deele te verklaren is, heeft zich niet in alle Indogerm. talen evenzeer gehandhaafd. Reeds in voorhistorischen tijd hebben het Keltisch, het Italisch (Latijn) en het Germaansch vast accent aangenomen door den klemtoon zoover mogelijk naar voren te brengen. Mag men in de sterke ontwikkeling van het exspiratorisch accent bij de volken, die deze talen spreken, het teeken zien van grooter wilskracht en sterker overtuiging, dan bij andere volken, dan mag misschien de neiging om juist aan het begin van de woorden de stem krachtiger uit te stooten voor een bewijs van onstuimigheid in het openbaren van die wilskracht gelden. l)

Bij de Germanen heeft zich dat naar voren gebracht accent over het algemeen niet weer verplaatst. Eeeds in voorhistorischen tijd viel dat accent bij naamwoorden met of zonder praefix op de eerste lettergreep. Werkwoorden namen in alle vervoegingsvormen het accent op den verbalen stam, die in den oudsten tijd, toen de praefixen er nog niet nauw mee verbonden waren, tevens de eerste lettergreep was. In later tijd hebben nieuwer woordfor-

•) Ook door Herman Hirt wordt tegenover H. Zimmer groot gewicht gehecht aan liet feit, dat de drie Westelijkste lndogermaansche talen, die met elkaar in het naar voren lirengen van het accent overeenstemmen tegenover bijna alle andere, ook tevens het exspiratorisch accent veel meer hebben ontwikkeld, dan alle andere. Zie Indogermanische ForschuntjenlX (1K98) p. '290 '201. Daarentegen moet opgemerkt worden, dat van de Slavische talen twee, liet Czecliisch en liet Sorbisch, ook het accent naar voren hebben gebracht zonder daarbij het sterk muzikaal accent, dat aan alle Slavische talen eigen is, te hebben prijsgegeven.

Sluiten