Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maties door nominale afleiding van werkwoorden en verbale afleiding van nomina wel allerlei uitzonderingen op dien regel doen ontstaan, en tegelijk de neiging in de hand gewerkt om den klem toon te leggen op de wortellettergreep of het „zakelijk deel", waarop Lamh. ten Katf, zelf» kon meenen, dat hij in de Germaansche talen steeds rustte, omdat bij de meeste woorden ook nu nog de wortellettergreep tevens de eerste is; maar het veelvuldig voorkomen van den klemtoon op de voorvoegsel der nomina (men denke bv. bij ons aan antwoord, bijstand, oorzaak, voorzorg, weerstand, enz.) bewijst toch, dat in het Germaansch niet het streven heeft bestaan om het gewichtigste deel van het woord te aecentueeren, maar het allereerste deel.

Zelfs woorden, door de Germanen uit andere talen overgenomen, verloren onder hen hun oorspronkelijk accent, en namen het op de eerste lettergreep, wat dikwijls tevens vormvermindering ten gevolge had. Onze eigene taal levert verscheidene voorbeelden van accentverplaatsing bij woorden, die door onze voorouders hetzij reeds in de eerste eeuwen onzer jaartelling, hetzij later doch in elk geval vóór de 10de eeuw uit het Latijn zijn overgenomen, zooals aker (Lat. aqudrium), beker (Lat. bicdrium), kelder (Lat. celldrhm), kolder (Lat. colldrium), mnl. morter of mortel (Lat. mortdrium\ mnl. paenre (Lat. pandrium), pijler (Lat. pildriwn), spijker (Lat. spicdrium), vijver (Lat. vivarium), zolder (Lat. solarium)> outer of altaar (Lat. altare), okker (noot) (Lat. nucdrius), opper(man) (Lat. operdrius), sprokkelmaand!), mnl. sporkele (Lat. spurcalia), monster (Lat. monastérium), trechter (Lat. trajectórium), reefter (Lat. refectórium), dormter (Lat. dormitórium), zeker (Lat. securns), deken (Lat. decanus), keten (Lat. caténa), zegen (Lat. sagéna), metten (Lat. matutina), pelgrim (Lat. peregrlnus), tol, mnl. tolne (Lat. telonêum), mnl pel lel (Lat. palliolum), kemel (Lat. camélus), venkel (Lat. foeniculum), kervel (Lat. caerifólium), schotel (Lat. scutélla), vlegel (Lat. flagéllum), zegel (Lat. sigtllum), pepel (Lat. papllio), munt (Lat. monéta), venster (Lat. fenéstra), oogst (Lat. Augustus), kers (Lat cerasea), aalmoes (Lat. eleemósyna), paard (Lat. paraverédus), duren (Lat. durdre), ijken (Lat. aequdre), vormen (Lat. formdre en firmdre), enz. Ook in lateren tijd komt accentverplaatsing bij uit het Fransch overgenomen woorden nog eene enkele maal voor, als bij baanderheer (ook banjer), bastaard, mosterd, enz. en veel meer in het Hoogduitach, dat o.a. ook nog

Sluiten