Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij zijn overgenomen. Zulke woorden zijn bisschop (ook Ags. biiceop, Ohd. biscof) uit het Gr.-Lat. episcopus of Vulg.-lat. ebiscopus; voogd (ook Ohd. fogat en pfogat, in onzen Roman van Torec vs. 1367, 1386 vogaat, dat ik in 't Gloss. verkeerd verklaarde) uit Lat. advocatus of Ylat. *avogddus; rijst (ook Fr. riz, Ital. riso) uit Gr.-Lat. oryza; muts (ook Hd. miitze), nog Mnl. amutse uit Mlt. almutia (kanunnikskap); pul, nog Mnl. apulle, uit Lat. ampulla ; sperge (ook lid. sparge) naast asperge ('tooah in 't Fransch) uit Gr.-Lat. asparagus; plompe (waterlelie) nog Mnl. aplompe; mangel naast amandel (vgl. Ital. niandola) uit Gr.-Lat. amygdala ; juin naast ajuin uit Fr. oignon (= Lat. unionem); sjalot (ook Hd. schalotte) uit Fr. échalotte (vgl. Ital. sealogno uit Ascaloniurn, d. i. Ascalonsche ui). Ook een klinker met voorafgaande h is soms weggevallen, zooals bij Spanje uit Fr. Espagne voor Ispania, Hispania, en in 't Middelnederlandsch bij samiet (ook Mhd. samtt. Nhd. sammet) uit Fr. samit. Mlt. samitum voor Lat.-Gr. hexamitum (d. i. zesdraadsch, naast diemet uit dimitum, tweedraadsch); bij spetael (ook Mhd, Nhd. spital. Ital. spedale) uit Lat. liospitale, en bij het zeventiendeëeuwsche story (ook Eng. story, Ital. storia) uit Lat.-Gr. historia.

De lettergreep de of di is, vooral vóór s, in onze oudere taal dikwijls verdwenen, maar terwijl bij de substantieven, waarbij dat gebeurd is, andere oorzaken kunnen hebben meegewerkt, moet men bij de werkwoorden uitsluitend aan het accent als oorzaak denken. Zoo vindt men in het Mnl.: storbeeren voor het Lat. disturbare, strueeren voor het Lat. destruere, en samfeer en voor het Lat. disconficere, dat wij nog steeds, tot sehoffeeren geassimileerd, zijn blijven gebruiken. De aphaeresis kan echter reeds plaats gehad hebben in het Romaansch, waaruit wij die woorden overnamen. Het Italiaansch toch heeft tot op dezen dag sturbare, struggere en sconfiggere en bovendien vele andere woorden met dezelfde aphaeresis als sbrogliare, scaldare, scavalcare, sconfidare, en sfidare, smembrare, spiacere, enz.

Leidde de Romaansche accentuatie tot aphaeresis, in het Germaansch moest het naar voren brengen van den klemtoon vooral apocope ten gevolge hebben. Dat is reeds in overouden tijd* gebeurd volgens vaste wetten, die bekend staan als de Germaansche verminkingswetten der slotlettergreep („ Auslautgesetze"). De oudste van deze, namelijk die der apocope van nasaal en dentaal, dag-

Dr. Jan Te Winkel, Geschiedenis der Nederlandsche taal. 17

Sluiten