Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op is (iz) uitgingen, als Got. mins (voor *minniz uit *mintciz), dat in Olid. en Ags., evenals bij ons, min luidt, enz.

Dat ook de oorspronkelijke klinkers der laatste lettergreep in het Germaansch zeer geleden hebben, zelfs wanneer een medeklinker daarop volgde, spreekt van zelf. Was het vooral Leskien geweest, die (in 1872) de apocopewet der slotmedeklinkers in hoofdzaak zóó had geformuleerd '), als zij nu wordt aangenomen, de wetten der klinker-verminking zijn, sedert Rudolf Westphal, die ze in 1853 voor het Gotisch aanwees 2) en Wilhelm Schebeb, die ze in zijn bekend werk (1868) nader ontwikkelde, het onderwerp van veel studie geweest; en allengs zijn zij duidelijker en juister geformuleerd door mannen als Sophis Buqge (1870), Auoust Leskien- (1872), Wilhelm Bbaune (1876), Hermans Paul (1877), Eduakd bievebs (1877 en 1878) en anderen, ook nog in lateren tijd, ofschoon er over deze wetten nog niet in alle opzichten eenstemmigheid bestaat. 3)

Als eene der oudste verminkingen mag men wel aannemen het wegvallen van den korten klinker aan het einde eener derde lettergreep, waardoor b.v. de uitgang so van den Gen. Sing. Masc. en 2\eutr. reeds in voorhistorischen tijd tot s werd en dus b.v. uit Oudgerm. •dagoao een Os. tlayas, Mnl. dar,es, Nnl. daags ontstond. Zoo ging eene slot-/ verloren bij den tweeden en derden pers. enk. en den derden pers. meerv. van het Praes. Ind., die in het oude Indogerm. op si, li, nti uitgingen, zoodat Got. nimis, nimith,.nimand, Mnl. nemes, nemet, nemen (zonder tl en vermoedelijk eerstenpersoonsvorm) staan voor *nemesi, *nemeti, *nemonti, ook blijkens de vervoeging in 't Grieksch en Sanskrit. Ook is eene i verdwenen bij het Part. Praes., blijkens Got. hairand, vergeleken met Skr. bharanii, en bij partikels zooals ons over, Got. ufar, maar Skr. upari.

Wat jonger is de apocope der korte slot-r* (uit Jdg. o) en slot-p, vooral wanneer die na het wegvallen van eene n nog eenigen tijd genasaleerd was gebleven of wanneer op de a of e der laatste lettergreep nog een medeklinker volgde ; maar toch is ook reeds

1) |" de T erhandlungen der Leipziger Philologeneersammlung von 1872.

2) Zie R. Westphal in Kuhn's Zeitschrift fiir Vergleichende Sprachforschung, II p. 101 vlgg.

3) Vgl. de voorstellingen bij Kuil Brugmann, Grundriss der vergleichende,i Grammatik der Idg. Sprachen I § 059-662, Friedrich Kluge Grundriss der germ. Phildogie I (1890) p. 353-366: 2e dr. (1897) p. 415-425 en Wilhelm Streitberg, Urgermanische Grammatik, Heidelberg 1896 § 144 152

Sluiten