Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en Ohd. — bewijzen, dat er aanvankelijk geene afzonderlijke vormen voor enkel- en meervoud, mannelijk en vrouwelijk geslacht bestonden. Nog lang (tot het begin van de 18de eeuw toe) werd de Gen. Sing. wiens (uit wies voor tres) als relatief dan ook nog door sommigen gebruikt bij een meervoudig antecedent. Opmerkelijk is ook een Mnl. das als Gen. Sing. van dat, waaraan het de a ontleende.

Vooral de namen der getallen hebben den invloed der analogiewerking ondergaan. In liet Latijn werd noren tot novem naar sepiem en decem en pinqite (vijf) tot quinque naar analogie van quatuor (vier), terwijl in 't Oslav. osmi (acht) de m aannam, omdat sedmi (zeven) die bezat, en neveti (negen) overging in dereti in aansluiting aan deseti (tien) Bij ons werd in 't Mnl., en ook nog veel later, dikwijls tachentig geschreven, en nu nog dikwijls gezegd in plaats van tachtig naar analogie van zerenliq en negentig. Omgekeerd werd het Hd. siehenzehn en siébenziq (Ohd. silunzug) tot siefizehn, siehzif naar analogie van achtzehn, achtzig, neunzehn, neunzir/. Doch ook reeds zeventig, tachtig en negentig (Ohd. silunzug, ahtozug, niunzvg en bovendien zehanzug, d. i. tientig) waren analogievormen, want oorspr kwam tij (Got. tigjus, Ohd. zwj) alleen aan de getallen 20—00 toe. Die van 70—120 werden oudtijds gevormd door hnnd, dat in 't Gotisch achteraan1), maarin'tAgs. vooraan geplaatst werd. In die laatste taal hadden de met hund samengestelde getallen van 70— 120 (ook hnndteoniij, hundentleofontig en hundtivelftig) reeds het achtervoegsel tig aangenomen, dat men nog niet vindt in 't Oudsaksisch, waar in plaats van hund echter ant is voorgevoegd. Het decimaalstelsel heeft het dus bij de getallen gewonnen op het vroegere stelsel, dat naar twaalftallen rekende, ofschoon nergens sporen gevonden worden van meer dan 10 X 12 of het groothonderd, zooals de Scandinaviërs het noemden, tegenover het kleinhonderd of 10 X 10.

In het Indogermaansch werden de getallen van 1—4 verbogen,

1) Eigenlijk heeft het Gotisch têhund achter de getallen, maar volgens de vernuftige, schoon niet geheel afdoende verklaring van Karl Bi ugmann, Morpholonisehe Untersuchitngen V p. 11 vlgg. is té te beschouwen als een sifleidingssuffix in den Gen. Plur. achter het getal en moet men dus afdeelen sibunlc-hund. Aan sibuntè beantwoordt dan met hetzelfde suffix in den Ohd. vorm van den Gen. Plur. het Ohd. sibunzo. Eene andere verklaring gal' Joh. Schniidt in Die Urheimat des Idg. taid das europliischc Zahlsi/stem, Berlin 1890 ]>. '24 vlgg.

Sluiten