Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wijze uitgewischt: in het Praesens gaan zij alle drie op e, in het Praet. op en uit. Trouwens de analogievorm van den tweeden persoon op e(n) naar den eersten komt ook in Ilollandsche dialecten voor, bv. aan de Zaan4 en zelfs in Zuid-Holland zeggen de Rotterdammers je loope(n). Het Engelsch maakt evenmin onderscheid tusschen de persoonsvormen van 't meervoud, maar heeft, behalve bij den derden persoon enk., die op s (uit dh) uitgaat, alle persoonsuitgangen (uit Ags. dh voor het geheele meerv. van 't l'raesens) geapocopeerd, in deze vereenvoudiging nog overtroffen door het Zuidafrikaansch Hollandsch, dat zelfs de t van den derden persoon enkelvoud niet behield.

Terwijl in de besproken gevallen de eene persoonsvorm zich richtte naar den anderen van denzelfden tijd, heeft ook soms een persoonsvorm van den eenen tijd zich gewijzigd naar analogie van denzelfden persoonsvorm in andere tijden. In het Oudgermaansch (nog in het Gotisch, bv. thu namt) ging de tweede persoon enk. in het sterke Praet. lnd. uit op t (= Idg. tha, vgl. Gr. curSrx), terwijl in den Conjunctief achter den thematischen klinker eene s gevonden werd (bv. Got. thu nêmeis); maar in het Ohd. nam deze persoon in het Praet. Ind den uitgang van den Conjunctief aan, natuurlijk met Westgermaansche apocope van de slot s: vandaar Ohd. ndmi, terwijl de Conjunctief (Ohd. ndmti) later de s aannam, die behalve aan het zwakke Praes. en Praet. alleen aan het sterke Praes Ind. ritmis en Conj. nemês toekwam.

Sedert de Ode eeuw vindt men naast den uitgang s het eerst in het Praes. Ind. en in het Opperfrankisch, later ook in de andere tijden en in andere tongvallen, den uitgang ut, die ontleend schijnt te zijn aan het pronomen du op deze wijze, dat nimis thu, door sandhi tot nimistu geworden, aanleiding gaf om ook thu of du nimist te gaan zeggen. Bij list (uit bistu voor bis thu) is die t zelfs nu nog gebleven. In het Mnl. zijn s en st reeds de eenige uitgangen van den tweeden persoon enk. in alle tijden en wijzen. Alleen vindt men den ouden uitgang t nog soms bij du salt (ook in 't Onfr.) en du macht, naar analogie waarvan soms ook du wilt wordt gezegd, dat, als oorspr. Conj., alleen du willes had mogen luiden. Om diezelfde reden was de eenige klankwettige vorm van den derden persoon enk. bij dat werkwoord hi wille (zooals tegenwoordig nog hij wil)) maar daar het als Indicatief gebruikt werd, nam het in 't Mnl. ook dikwijls den uitgang van den derden

Sluiten