Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

persoon in die wijs aan en luidde dan hi wilt. Hij placht nam bij ons eene t aan naar analogie van bracht en dacht.

De tweede persoon enk. had in het oudste Germaansch geen uitgang meer in den Imperatief der sterke werkwoorden : dus Grot. Ohd. nim, Mnl. nem, terwijl die bij de zwakke werkwoorden op eene vocaal eindigde, b.v. Got. sókei, Ohd. suochi, mnl. soelce- maar dikwijls vindt men in het Mnl. reeds sterke Imperatieven met en omgekeerd zwakke zonder e. Later werden die met e algemeen en zeide men evengoed neme als zoeJce, zoodat in het jongste Nederlandseh, dat die e weder geapocopeerd heeft, toch de e van neem volkomen is.

De werkwoorden f/aan, staant doen gingen in 't Oudgermaansch in den eersten persoon enk. van het Praes. Ind. op m (later n, uit Idg. mi) uit, zoodat men in 't Ohd. o.a. ook ih gdm, stam, tóm vindt. A andaar niet zelden in 't Mnl. en zelfs nog later ic gaan, staan, doen. Aan zien kwam die eersten-persoonsuitgang niet toe, maar als werkwoord met schijnbaar vocalisch thema sloot het zich bij de andere aan, zoodat men ook meermalen ic zien aantreft. In de jongere Slavische talen heeft die wj'-uitgang zich sterk uitgebreid. In het Oudslavisch komt die uitgang (in overeenstemming met Sanskrit en Grieksch) alleen voor bij jesnii, vemi, dami en jami, maar naar analogie van deze zoo veelvuldig gebruikte werkwoorden hebben in het Nieuw-,Sloveensch en Servisch alle werkwoorden dien uitgang voor den eersten persoon enk. aangenomen '). In het Latijn is bij de werkwoorden op we de uitgang van den tweeden persoon meervoud atis, waaruit in 't Fransch ez ontstond, b.v. aimez uit amatis ; maar naar analogie daarvan namen ook vele andere werkwoorden dien uitgang aan en ging men b.v. ook savez zegge in plaats van satés, dat klankwettig uit sapitis voortkwam.

In vele gevallen hebben ook de werkwoorden in al hunne vervoegingsvormen de klanken aangenomen, die slechts aan één tijd toekwamen. De zwakke jan-werkwoorden b.v. konden eigenlijk alleen in alle tijdvormen umlaut hebben, als de stamklinker kort was, want na van nature of door positie langen stamklinker was de i van het Praet. en Part. reeds weggevallen vóór het optreden van de umlautswerking. Vandaar dan ook in 't Ohd. de Praeterita

>) Zie Karl Brugmann, Morphologisclie Untersuchungen I (Leipzig 1878) P. 82 vlgg.

Sluiten