Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

drijnen slSérepx, d. i. „tot geen der beide geslachten behoorende". De Romeinen vertaalden dat met neutra en wij (minder gelukkig) met onzijdige woorden.

Opmerkelijk is het, dat in het Germaansch ook persoons- en diernamen voorkomen met onzijdigen uitgang, vooral namen voor het kind of het jong van een dier, alsof men daarin het, in elk geval nog niet ontwikkeld, natuurlijk geslacht niet wilde opmerken. Bij Germaansch kind hebben wij evenals bij Grieksch réuvov, wel te doen met een woord, dat oorspr. in 't algemeen „het voortgebrachte" beteekende, van de Idg. wortels gen en telc (voortbrengen). \ erschillende namen van jonge dieren daarentegen zijn onzijdig, omdat zij op een onzijdig diminutief-suffix uitgaan, waarmee de Germanen (evenals de Grieken met den uitgang ion) gaarne de namen van levende wezens schijnen voorzien te hebben, ten deele wel om er een liefkoozend woord (hgpocoristicon) van te maken, zooals bv. ook ons schatje, hartje, liefje, op personen toegepast. Zulk een uitgang is in, vanwaar in 't Gotisch gaitein (geitje), in 't Mnl. hoekijn (bokje) en in 't Xnl. de ook algemeen Germaansche woorden zwijn (vgl. Lat. sus) en met verzwakten uitgang veulen (uit fultn, vgl. Lat. pullus), varken (uit farlein, vgl. Lat. poreus) en kuiken (uit kewkin). Ofschoon nu verkleiningsuitgangen ook in het Germaansch niet uitsluitend onzijdig waren, hebben degene, die in de jongere Germaansche talen nog leven, toch alle dat geslacht: in 't Hd. lein, kein en chen, in 't ]\T1. ke(n) en je. Andere namen voor jonge dieren, zooals kalf ('t Got. heeft een vrouwelijk kalbiï) en lam (Got. lamh beteekent „schaap") waren oorspr. veeleer dan namen voor jonge dieren woorden, die het dier opzettelijk zonder geslachtsaanduiding wilden noemen en daarom misschien onzijdig, evenals in 't geheele Germaansch rund, schaap, hoen en ros en naar analogie daarvan ook paard, uit het Vulgaarlatijn paraveredus, dat mannelijk is. Dat het woord wijf in het geheele Germaansch (doch in het Gotisch komt het niet voor) onzijdig is, zou verklaard kunnen worden op dezelfde wijze als in het Latijn het onzijdig geslacht van mancipium (slaaf), indien Tacitus ons niet had meegedeeld, hoezeer bij de Germanen de vrouw in eere was. Het woord god is waarschijnlijk in 't Germaansch eerst mannelijk geworden door den invloed van de mannelijke woorden in Latijn en Grieksch {deus, ^esf) voor den Christengod. Vóór dien tijd was het onzijdig, zooals het Ohd. abgot zelfs

Sluiten