Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nieuwe overnam, en dus op den ondergrond, waarover de nieuwe taal als het ware heengevloeid is, kan aen dan nog wel van een stamboom der talen blijven spreken? Op die vraag nu is volmondig met „ja te antwoorden, wanneer men daarbij maar niet tegelijk aan de genealogie der volken denkt en het woord „taalstamboom uitsluitend als beeld van eene abstractie beschouwt, zeer geschikt als middel om beknopt aan te duiden, welke verschillende talen meer op elkaar gelijken dan op andere, en hoe zij dat krachtens hare geschiedenis ook moeten doen. Het best is het, ons voor te stellen, dat bv. het Oergermaansch als het ware een huwelijk heeft aangegaan met de talen van een paar andere volken en dat uit dat huwelijk twee nieuwe talen zijn voortgekomen, die wij, evenals bij de familiegenealogieën gebeurt, Gerihaansch blij \ en noemen naar uen vader. Is de moeder zoozeer in vergetelheid geraakt, dat wij haar aandeel aan den oorsprong niet meer uit iets positiefs kunnen zien, maar alleen uit het negatieve feit der afwijkingen van wat wij de vadertaal noemden, dan behoeven wij daarom het bestaan dier moeder nog niet te ontkennen (zooals tegenwoordig gewoonlijk gebeurt), maar mogen wij de nieuwe, uit beider aanraking voortgekomen, taal toch wel voor zuiver G-ermaansch blijven houden. Kennen wij daarentegen, zooals bij het Engelsch, ook die moeder (het Fransch) uit allerlei (indezen: Eomaansche) eigenaardigheden, dan weten wij met eene mengeltaal te doen hebben, waaraan wij toch eene plaats mogen blijven aanwijzen op de genealogische lijst der Gerrnaausehe talen. Ja, zelfs nu eerst komt de naam „taalstamboom" tot zijn volle recht, nu wij ook een, aan iedere nieuwe taaigeneratie voorafgaand, taaihuwelijk mogen veronderstellen en niet meer, zooals vroeger, in die genealogische lijst alleen een poljpenstamboom behoeven te zien, volgens welken nieuwe talen uitsluitend door taaisplitsing als gevolg van taalevolutie ontstaan zouden zijn.

Door taaisplitsing geheel te loochenen zou ik echter meenen veel te ver te gaan, want physische taalevolutie bij een zelfde volk kan natuurlijk niet geheel worden ontkend, terwijl psychische werkingen, en daaronder de analogie, in elk geval toch ook reeds oudtijds belangrijke wijzigingen hebben veroorzaakt en invloed van buiten zonder algeheele taaioverneming steeds verondersteld mag worden; en ook deze met elkaar zijn misschien in staat onder verschillende sociale invloeden van ééne taal twee te maken.

Sluiten