Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

umlaut, nasaleering en quantiteit der vocalen in schrift konden worden aangeduid. Op deze verhandeling berust in hoofdzaak de oorsche spelling. Enkele verbeteringen zijn in het midden van de 13 ' eeuw nog aangebracht in de taalkundige verhandelingen van Olafh i hokdhabsoïs, ten deele gevoegd bij de Edda van diens oom en leermeester Skohri Sti-ri.eso.v, wiens aanteekeningen er voor gebruikt zullen zijn. Ook hij stond, zooals alle middeleeuwsche grammatici, daarbij onder den invloed van den voornaamsten spelleeraar en spraakkunstenaar uit liet laatst van den Eomeinschen keizertijd, Pjmsciam-s ; doch het opsommen van bijzondere en over het schrift en de spelling bij de Scandinaviërs zou ons te ver voeren. Reeds omstreeks 1370 schaften de Zweden de ngel saksische teekens voor spirantische tli af en voerden daarvoor thendh in. Wat later volgden de Denen hun voorbeeld.

liet Oudhoogduitsch begon, met verschillende dialectische verscheldenheden, nog vóór de Ode eeuw in Latijnsche karakters geschreven te worden, aanvankelijk onder invloed van Angelsaksen of Friezen zooals o. a. blijkt uit het schrift van het Hildebrandslied, de Merseburger doopgelofte en het Wessobrunner <rebed In de 9de eeuw werd er betrekkelijk veel geschreven en ook veel zorg besteed om het Latijnsche alphabet voor het Oudhoogduitsch pasklaar te maken. Groote verdienste in dat opzicht heeft vooral Otfrid die in eene opdracht van zijn „Evangeliënbuch" aan Bisschop Liutbert uitdrukkelijk te kennen gaf, hoeveel moeite hem dat had gekost; maar nog nauwkeuriger ging laterNotkerLabeo van .Sanct-Oallen (geb. 952 + 1022) te werk, die niet alleen door accenten hoofd- en bijtoon der woorden aangaf, en door circumflexen de lange klinkers van de korte onderscheidde, zooals enkelen reeds voor hem gedaan hadden, maar ook eene poging deed om de veranderingen der medeklinkers door de sandhi in het schrift weer te geven. In andere geschriften (Benedictijner orderegelen en Isidor) werden de lange klinkers dubbel geschreven.

Wat de medeklinkers aangaat, kon men in 't Oudhoogduitsch grootendeels aan de Latijnsche letters hare eigene waarde toekennen maar voor den /.-klank bracht men naast de c ook weder de oude' door de Eomeinen zelf verwaarloo. de, k tot haar recht, die ook' bij geminatie meestal niet dubbel g^Wven werd, ofschoon men ook «el H-, d- of cc vindt. De verbinding foo werd gewoonlijk door Su, maar ook wel door qhu en chu weergegeven, de verbin-

Sluiten