Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dering van uitspraak, vrij goed door betere vervangen, zoodat men bv., toen ü en i gediphthongeerd waren tot au en ei, deze ook zóó is gaan schrijven, maar de ei klinkt nu toch meestal als ai. Daarentegen zijn en en au historische spellingen, die niet meer klinken als de letterverbindingen e -f u. Bovendien heeft men daarin twee verschillende teekens voor denzelfden klank, evenals bij i en ie en bij e en ei, althans naar de uitspraak van een groot deel der beschaafden. Erger is het met de aanduiding van de lengte der klinkers. Terwijl die in vele woorden in 't geheel niet wordt aangeduid, doet men dat bij vele andere woorden door achtervoeging van eene h, en worden weder bij andere woorden a, e en o verdubbeld. Bij de medeklinkers ontbreekt een teeken voor onzen «-klank, die evenals de scherpe verwante met s geschreven wordt. Die s dient vóór de p en t om den «/-klank aan te duiden, die overigens door sch wordt afgebeeld, ofschoon s -f ch anders zou klinken. ^ oor s wordt in bepaalde gevallen ook nog sz en ss geschreven. Terwijl de k door bijvoeging van eene c verdubbeld wordt, schrijft men aan 't woordeind cJc voor Jc, en verder qu voor Jcic. Chs wordt uitgesproken als Jcs. Over de v naast de f voor denzelfden klank hebben wij reeds gesproken. Het blijkt dus, dat ook het Hoogduitsch nog te veel aan de historische spelling heeft vastgehouden om te beantwoorden aan de eischen van zulk eene phonetische spelling als waaraan men toch wel zou kunnen voldoen.

Van de Nederduitsche talen werd het Oudsaksisch sedert de Ode eeuw geschreven, meestal met de Latijnsche Karolingische minuskels en niet zonder Angelsaksischen invloed, daar de gestreepte d aan het Angelsaksisch ontleend werd om in 't midden en aan 't eind der woorden de spirantische th af te beelden, die aan 't begin der woorden als th geschreven werd. In navolging daarvan werd ook eene gestreepte b ingevoerd, die dezelfde waarde had als onze v en in 't schrijven met v afwisselde. Dat ook aan 't begin der woorden de r diezelfde waarde had, komt mij waarschijnlijker voor, dan dat er de scherpe /-klank mee werd afgebeeld, zooals sommigen meenen. Overigens diende de s zoowel voor den zachten als voor den harden sisklank, en werd de ch zoowel door h als door ch, de w zoowel door eene enkele als door eene dubbele « aangeduid. Voegen we hier nog bij, dat de q meestal gutturale spirant beteekent, maar ook nog andere verwante

Sluiten