Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

klanken aanduidt, en dat, behalve vóór w (wanneer men qu gebruikte), de /i-klank vaker als /• dan als c werd geschreven, dan hebben wij zeker het belangrijkste genoemd wat er gedaan werd om het Latijnsche alphabet voor het Oudsaksisch bruikbaar te maken. Alleen moeten wij nog opmerken, dat aan 't woordeind de tot t verscherpte d en de tot f verscherpte v meestal als t en f worden geschreven, maar dat de verscherping van th, g, ng en l in dat geval tot t, ch, nk en p slechts zeer zelden in het schrift wordt aangeduid.

Het Oudnederfrankisch, dat wij echter bijna alleen uit eene gedeeltelijk bewaarde Psalmvertaling der 10de of 11de eeuw kennen, wijkt met zijne spelling slechts weinig van het Oudsaksisch af, maar de gestreepte d en de gestreepte l ontbreken en de klank er van wordt weergegeven door lli en v. Voor gg vindt men ook wel leq, wat trouwens ook enkele malen in het Oudsaksisch gevonden wordt; maar in plaats van Os sk vindt men steeds sc of ook wel (zooals enkele malen in 't Os.) sch. De verscherping aan het woordeind van tl, v, b en ng tot f, f, p en nc wordt meestal ook in het schrift weergegeven, die van g tot ch (h) daarentegen zelden.

De spelling van ons Middelnederlandsch nu sluit zich weer zeer nauw bij die van het Oudnederfrankisch aan. In den loop van de 13de eeuw mag men aannemen, dat zij zich vestigde. Aan de 12de eeuw kunnen wij, althans met zekerheid, geene andere Mnl. geschriften toekennen, dan die van Heinrich van Yeldeke, waarvan de handschriften alle buiten ons eigenlijk taalgebied geschreven zijn. De spirantische th echter was sinds dien tijd uit onze taal verdwenen (overgegaan in d). Ook in 't Mnl. bleef men x voor les, qu voor kw en c (behalve vóór e en %) naast Je handhaven. De geminatie qg werd soms door cg aangeduid, wat het vermoeden wekt, dat de g daar nog als media klonk, evenals in de verbinding ng (blijkens de verscherping nc) Later verdween de y in de uitspraak en bleef alleen de gutterale n over, maar tot onzen tijd toe handhaaft de g zich in 't schrift. Van het Latijnsche consonantisme week het Nederlandsch alleen af ten opzichte van de gutturale spiranten en de w, die als uw of w geschreven werd, terwijl de v of u voor labiodentale spirant met stemtoon gebruikt werd, maar ook voor de vocaal w. Yoor de scherpe gutturale spirant was de ch reeds geen onbekend teeken meer, en de zachte verwante kon veilig door g worden aangeduid, omdat de media

Sluiten