Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en het voertuig eener niet onbelangrijke letterkunde geworden zijn, die echter over het algemeen aan de Indische letterkunde vorm en inhoud ontleende. Ouder nog (reeds uit de 9de eeuw) zijn de inscripties, gedeeltelijk in oud Sanskritschrift, gedeeltelijk in Semietische karakters. Door eene rijke verscheidenheid van medeklinkers (vooral dentalen, palatalen en cerebralen) onderscheiden deze talen zich in het bijzonder. De meest ontwikkelde van alle is het Tamoel of Tam.il1), dat in het Zuidwesten (Travacore) en aan de Zuidoostkust (o a. ook te Negapatnam en Pondichéry) tot voorbij Madras en ook op de Noordpunt van Ceilon gesproken wordt. Noordelijk daarvan, aan de kust van Koromandel, tot ver over de Godavaririvier strekt zich de Teloeqoeof Telinfo-taal uit. In het Zuidwesten van Yoor-Indië wordt aan de kust van Malabar het Malayalam gesproken, dat reeds in de 16de eeuw door Portugeesche Jezuieten te Goa bestudeerd is, en ten Noorden daarvan, in Mysore en Kanara, het Kanareesch, waartoe ook het Toeloe in de buurt van Mangalore behoort. Of ook in en om Centraal-Indië de talen der zeer onontwikkelde zoogenaamde Kolariërs (die echter volstrekt geene Ariërs zijn), en daaronder de Kolh-t&oX en die der Santals in Tsjoetia-Nagpoer, aan de Drawidische talen van verre verwant zijn, is zeer onzeker. "Wel verwant daarentegen zijn eenige, meer Oostelijk gesproken, talen, zooals het Oond in Gondwana en de taal der Konds in Orissa en der Oraons in Bengalen. Oorspronkelijk was ook het Singhaleesch, de hoofdtaal van Ceilon, eene Drawidische taal, maar door vermenging met Sanskrit en Pali is zij zoodanig van karakter veranderd, dat zij door sommigen niet meer tot de Drawidische, maar tot de Arische talen gerekend wordt.

III. De Indo-Chineesche talen zijn die talen van Mongolen, welke tegenwoordig monosyllabisch zijn, ofschoon zij dat misschien eerst door afslijting zijn geworden (zie bl. 210 vlg.). De hoofdtaal van deze is het Chineesch, dat in verschillende tongvallen gesproken wordt in eigenlijk China, zooals aan de kust der OostChineesche zee de tongvallen van Kwan-toeng (Canton), Poe-kian (Amoy en Foe-tsjoe), Tsje-kiaug (Ning-po) en Kiang-soe (Sjanghai

i) Woordenboek en spraakkunst daarvan zijn o. a. uoor de Katholieke zending te Pondiehéry uitgegeven. Taalvergelijkend is van Julien Vinson Le verbe dans les langues dravidiennes (Tamoiil, Canara, Télimja, Malayala, Tuluj, Paris 1878.

2o'

Sluiten