Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hielden er aan vast »), vooral op grond van overeenstemming in den woordenschat, de vorming der telwoorden van 11 — 19 met een woord lika, dat als Rf ook in 't Germaansch voor 11 en 12 met een en twee is samengesteld, het bezit van gemeenschappelijke dualisvormen voor het pronomen van den eersten en tweeden persoon (Litauwsch wedu en judu, Got. wit, Ags. git), de suffixale m voor Idg. bh, benevens de ontwikkeling van afzonderlijke praedicatieve en attributieve verbuigingsvormen bij de adjectieven, ofschoon in beide groepen op verschillende manieren tot stand gekomen.

Tegenwoordig, vooral nadat het onderscheid tusschen Oost- en West-Indogermaansch is ingezien en de Balto- Slavische talen tot de eerste, de Germaansche tot de tweede afdeeling bleken te behooren, kan de nauwe samenhang dezer beide groepen niet meer worden gehandhaafd. Toch onderscheidt het Balto-Slavisch zich ook, evenals het Armenisch en Albaneesch, hierdoor van de beide Arische groepen, dat het de e en o van de grondtaal bewaard heeft, al is in de Baltische talen de korte o dan ook, evenals in het Germaansch, in korte a overgegaan en in het Slavisch de lange S gewoonlijk in lange a, terwijl zij in het Baltisch, evenals later ook in een deel van het Germaansch, ü (uo) werd. Daarentegen was reeds vroeger de korte « in het geheele Balto-Slavisch in o overgegaan, welke o dan later in het Baltisch weer a werd. De lange & handhaafde zich overal, behalve in het Litauwsch, waar zij lange 6 werd.

Wat de medeklinkers betreft, zijn de aspiratae (evenals in het Iranisch en Armenisch) mediae geworden en zijn in het Slavisch niet alleen, zooals in het geheele Balto-Slavisch, de palatale explosie; en in palatale spiranten overgegaan, maar ook de samengevallen gutturalen en labiovelaren vóór e, i en j palatale of dentale affricaten geworden: k werd tsj of ti, g (ook de uit Idg. gh voortgekomene) werd dzj of dz.

De Balto-Slavische talen kenmerken zich door eene vormrijke declinatie met zeven naamvalsvormen, evenals in 't Arisch en Latijn zonder lidwoord, en eene wat minder vormrijke conjugatie, waarbij niet zoozeer de tijd als wel het meer of minder perfec-

1 Klok bij ons C. C. Uhlenbeck, De vericantschapsbetrekkinqen tusschen de Germaansche en Balto-Slavische talen, Leiden 1888; maar later is ook hy ervan teruggekomen, blijkens zijne rede : De onderlinge verhouding der Oudgermaanache tongvallen en hunne plaats in den Indogermaanschen taalatam, Leiden 1899 bl. 25—29,

Sluiten