Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Datiefvorm (uitgang ai), gevormd, met of zonder de suffixen menof wen-, terwijl de Infinitieven van het Passief op sthai uitgaan. Ter vorming van causatieven heeft het Grieksch, behalve het suffix éjo, ook het suffix no Inchoatieven worden door slco gevormd. Nieuwerwetsch is het gebruik van het aanwijzend voornaamwoord als lidwoord van bepaaldheid.

Wat het vocalisme betreft, heeft het Grieksch de klinkers der grondtaal op zich zelf tamelijk ongeschonden bewaard, behalve dat de sonante liquidae in al of la, ar of ra, en de sonante nasalen in a overgingen, waarin ook de onduidelijke vocaal is overgegaan. De lange en korte w (spr. oe) zijn echter in 't Ionisch-Attisch al in voorhistorischen tijd, doch in de andere dialecten eerst later, ü geworden, en eindelijk zelfs t, doch als ü geschreven. Ook was in 't Ionisch-Attisch de d reeds in de 5de eeuw v. Chr. in ê overgegaan, doch in 't Attisch, waarin zij na klinkers en r spoedig weer a werd en bleef, nam evenals deze ê ook de oorspronkelijke ê de open uitspraak aan, terwijl in het Ionisch de oorspr. ê de geslotener uitspraak bewaarde Eenige eeuwen later ging de ê in uitspraak (niet in het schrift) in i over, doch in het Attisch niet in denzelfden tijd als in het Ionisch. Veelvuldige samentrekkingen hebben aan de taal echter een jonger aanzien gegeven. Zij zijn het gevolg van het uitstooten van medeklinkers. Zoo is overal, behalve in 't Aeolisch (zie bl. 320), de iv in 't midden der woorden óf gevocaliseerd öf weggevallen, en dat laatste is ook gebeurd aan't begin der woorden, zelfs vóór klinkers, in welk geval zij door den spiritus asper vervangen werd, evenals de aanvangs-/ en -s vóór klinkers (zie bl. 196), welke laatste vóór 1, r en n (zie bl. 193) en tusschen twee klinkers weg viel na eerst h geworden te zijn, behalve, dat de h uit s tusschen twee klinkers, waarmee een woord begon, als begin-medeklinker bewaard bleef (bv. upic uit iheroi voor i-eros). Daarentegen ontstonden er nieuwe x's uit t vóór consonantisch uitgesproken i en e. Uit de Idg. spiranten dh en th, die in andere Idg. talen s werden, ontstond in het Grieksch (zooals vermoedelijk ook in het Keltisch) t. De m ging aan 't woordeind, vóór j en vóór dentalen tot n over, de n werd vóór s uitgestooten. Iedere explosief is aan het woordeind geapocopeerd. Met voorafgaanden medeklinker heeft de j eigenaardige veranderingen ondergaan : nj (ook nj uit mj) en rj werden met den voorafgaanden klinker tot vokaal in of ir (zie bl. 174); Ij assimileerde tot li, maar pj

27*

Sluiten