Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Latium, door de oppermacht van Eome zoozeer het overwicht over de andere verkregen, dat wij nu gewoon zijn, het als type van het Italisch te beschouwen, en wel bepaaldelijk de zoogenaamde hnc/ua urlana of beschaafde Komeinsche spreektaal en schrijftaal, tegenover de limjua rustica of' het volksdialect van Latium.

Wat bouw en vormen betreft, heeft het Latijn een moderner karakter dan het Grieksch. Het heeft namelijk het vermogen der lndogermaansche talen, om samenstellingen te vormen, grootendeels verloren: alleen de oudere schrijvers (bv. Lucretius) maken ze nog, of liever weer opnieuw op voorbeeld van het Grieksch. De drie' geslachten zijn bewaard, maar van de drie getallen is de dualis verloren gegaan. Van buigingsvormen heeft het Latijn daarentegen nog een naamval meer dan het Grieksch, den Ablatief, die echter in het meervoud altijd en in het enkelvoud voor een'deel met den Datief is saamgevallen. Eigenaardige buigingsvormen van het Latijn zijn de Gen. Sing. der o- en a-stamuien op t (Locatiefuitgang), die ook in het Oud-Keltisch wordt aangetroffen, en de Gen. Plur. der o- en a-stammen niet den pronominalen uitgang rum (uit Idg. s-óm), dien het Latijn met het Grieksch gemeen heeft. Opmerkelijk is nog de uitsluitend Italisch-Keltische superlatief op issimo (uit Idg. ismmo).

Bij de vervoeging is het Medium alleen als Passief in gebruik (met de eigenaardige r als uitgang van bijna alle persoonsvormen), behalve bij de deponentia, waarvan het Medium de eenige vorm is. De Optatief is (op eenige resten na) verloren en evenzoo de beide Aoristen. die echter gedeeltelijk nog als Perfectum bleven voortleven, terwijl andere Perfecta in den oorspr Idg. vorm voorkomen en de moeste door ri of ui gevormd zijn De reduplicatie is meestal verloren, van het augment is in 't geheel niets meer over bij Imperfectum of Plusquamperfectum Het laatste is van den

E Seelmann, Die Aussprache des Latein, Hnilbronn, 1885; R. Kühner

Ausfuhrhche Grammat ik dry lateinischen Sprache Ilannover 1877 79;

Fr. Stulz, Historische Gram mat ik der lateinischen Sprache, Leipzig 1894—95 • Fr. Stola; en J. G. Schmalz, Latein ische Grammatik, 3te Aufl. Miinclien 1900; W. Lindsay, The Win Unguaie: „n historical account of lat in sound* Sterns and flexions, Oxford 1894 en F. Sommer, Handbuch der lateinischen Laat- und Formenlehre, Heidelberg im. Hij ons is het Latijn uit een linguïstisch oogpunt beoefend door J. L. Sirks, Over de „rondslagen der Latijnsche etymologie, Gron. 1868 en H. T. Karsten, De uitspraak van het Latijn, Amst. 1893.

Sluiten