Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tenuis zich als qu, maar de media en media aspirata als qu alleen na n ; overigens werden zij w (geschreven r), behalve dat de geaspireerde media f werd aan 't begin der woorden en vóór eene r (zie bl. 162). Vóór n viel g aan 't begin der woorden regelmatig weg (zie bl. 193 vlg.), in 't midden verdween de k vóór n en ook vóór m, maar alleen na lange klinkers. De s is in 't Latijn weggevallen aan 't begin van een woord vóór I, m en n (zie bl. 193), is f of b geworden vóór r (b.v. frigus voor srigos, comobrinus voor consuesrinos) en tusschen twee klinkers in rovergegaan (zie bl 109). De z viel weg met verlenging der voorafgaande vocaal, en uit dentaal + 1 is ss ontstaan (zie bl. 180) doch si vóór r.

Zoo hebben er dus nog al wijzigingen in het Latijnsche consonantisme plaats gegrepen, want ook hier heb ik alleen het voornaamste aangeteekend. Sommige van die wijzigingen echter klimmen nog niet tot het oudste Latijn op. Immers in de oudste inscripties, met name op de koperen plaat, die in de „Epistula consulum ad Teuranos" het Senalusconsullum de Baccanalibus van 186 v. Chr. bevat, vinden wij nog ai voor het latere ae (bv. bij Catcihus, later Caecitiu), ei voor later t (b.v. bij deivo, later divo), en oi, die eerst oe werd, maar dat ten slotte alleen bleef na p of f (b,y. bij poena en foedus), en in andere gevallen ti werd (b.v. bij oinos en comoinü, later unm en communis). Ook de ou is daar nog bewaard, die later in ü overging (b.v. bij loucos, later lucus). De en was reeds in de Oer-Italische periode met die oh samengevallen : vgl. jouxmentom, later jumentum, en zoo ook de êu, die wij als ü vinden in Jupiler (uit Djêu-pater, vgl. Gr. Ztiq) naast ou met consonantische w vóór een klinker bij den Gen. Joris, Dat. Jovi, Acc. Jorem, Abl. Jove. In 't Oud-Latijn luidt Jovi nog Bjovei, want daarin zijn dj en (jj nog niet, zooals in 't later Latijn, aan 't woordbegin en in bepaalde gevallen ook in 't midden der woorden in jj en vervolgens in j overgegaan (vgl. voor gj, major uit maqjor naast magis). De oude incripties hebben ook nog de du (= dw) bewaard, die in 't gewone Latijn als h voorkomt, b.v. bij bis, helium, bonus, morbus (vgl. morde re), enz. Daar vindt men ook nog de d van den ablatiefuitgang, bv sententiM, poplicód (d i. publico», mar/istratüd, enz , die ook in 't Umbrisch en Oskisch wordt aangetroffen, maar die in het Latijn later niet meer, en ook in geene andere taal dan het Arisch (daar als t) voorkomt.

Sluiten