Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den (ook nog in het Oud-Latijn voorkomenden) Pluralisuitgang s ook bij d- en o-stammen, bv. Lat. ae = Osk. as, Umb. ar- Lat i = Osk. u's, Umb. us of ur. Ook is in het Oskisch de * (uit s) gebleven tusschen twee klinkers, die in het Umbrisch en Latijn in r overging. De Inf. wordt in het Oskisch door -urn, in het Umbrisch door -om, en niet, zooals in 't Latijn, door re gevormd. In hun klankstelsel zijn Umbrisch en Oskisch minder ouderwetsch dan het Latijn. Zoo zijn kt en pt overgegaan in ht en ft, welke ft in t l mbrisch ook weer ht is geworden (zie bl 171 vlg). Zoo ging d tusschen twee vocalen in spirantische r over, en werden bh en dh ook m 't midden der woorden f, waar het Latijn v of d heeft. In het assibileeren van de 7c vóór e en i gingen Umbrisch en Oskisch de latere Komaansche talen voor. Wat de labiovelaren betreft, hebben deze talen tegenover de Latijnsche queenep (vgl. Osk. puf, Umb. pufe met Lat. ubi voor cubi uit quhi en zie verder bl. 163) en tegenover de w (uit gv) aan 't begin der woorden eene b (vgl. bivus voor Lat. vivus). Het Lat. bos (met b uit gv) moet daarom uit een der Italische tongvallen zijn overgenomen. Zoo zullen wij ook in het twaalftal Latijnsche woorden, waarin d in 1 is overgegaan (bv. linc/ua voor dingua, levir voor devir) zeker te doen hebben met woorden aan een naburig dialect (misschien het Sabellisch) ontleend.

Sinds het midden van de 2e eeuw v. Chr. zijn de Italische krijgslieden en handelaars van het Romeinsche rijk begonnen de Westelijke volken van Europa en enkele in het Oosten te romaniseeren. De taal, die zij er brachten, was echter alleen in den mond der beschaafde Komeinen het Latijn; de andere Italiërs spraken de plattere taal van Rome of hunne Italische dialecten, en dat alles vatten wij nu samen onder den naam van Vul/aarlaiijn, dat in een groot deel van Europa de oude volkstalen te eenemale verdrong (zie bl. 295-298) en daar de spreektaal bleef der bevolking, ook nadat het Romeinsche rijk op het eind der 5de eeuw ineengestort was.

Wél bleef zelfs toen nog dat Latijn aanvankelijk heerschen als taal der beschaafden, maar ook deze laatste begonnen toch allengs de Komaansche volkstaal te spreken, zoodat het Latijn toen slechts de taal der kerk en van de clergie (geleerdenstand) bleef, als zoodanig ook overgenomen door de Germanen, die in de geromaniseerde landen de heerschappij verwierven en die het ook maakten

Sluiten