Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daartegenover staat ook het een en ander wat het Noordgermaansch met het Westgermaansch gemeen heeft tegenover het Oostgermaansch, namelijk de vorming van een aanwijzend voornaamwoord these (NI. deze) door achtervoeging van de partikel se (On. si) achter het algemeen Germaansch demonstratief, en de overgang van de Indogermaansche !■ in a, terwijl het Gotisch de ê behield. Tegenover het Gotisch met a vóór m in de uitgangen (bv daqam) heeft het Noord- en Westgermaansch daar u (uit o) vóór m. De Oergermaansche (gestooten) 6 (Idg. d), waarop de neutrale o-stammen in den Nom. en Acc. Plur. uitgaan, is in 't Gotisch als a (verkort) bewaard (bv. bij Got. waurda), maar in 't Noord- en West-Germaansch w geworden (bv. bij falu, Mnl. vate en bij woorden met lange wortellettergreep geapocopeerd (bv. bij word, ook Mnl. nog word). Evenzoo hebben Noord- en West-Germaansch u uit ó als uitgang van den eersten pers. Sing. van het Praesens Indicativi tegenover het Gotisch, dat a heeft, enz. De z, die in 't Gotisch bleef (afgezien van de verscherping tot s aan 't slot en ook hier en daar elders), is in het Noord- en Westgermaansch steeds r geworden (zie bl. 168 vlg.1, en de th vóór 1, die zich in 't Gotisch handhaafde, werd in de beide andere groepen f (zie bl. 143). Dat het Gotisch nog geen i umlaut kent, is nauwelijks een wezenlijk verschil met het Noord- en Westgermaansch te noemen, omdat die ook daar eerst veel later is opgetreden, dan de tijd, waaruit wij Gotische geschriften overhebben.

I. Het Oostgermaansch.

De eenige Oostgermaansche taal, waarmee wij voldoende bekend zijn, is het Gotisch '). Het heeft in vele opzichten een ouderwetscher karakter, dan de andere Germaansche talen, die wij trouwens eerst in jongeren toestand kennen. Zoo heeft het de Indo-

i) De uitvoerigste, doch nu wat verouderde Gotische grammatica is de Grammatik der Gotischen Sprache, Leipzig 1846 van H. C. von der Gabelentz en J. Loebe, waarbij ook eene Gotische tekstuitgave en een woordenboek behooren. Jongere en beknopte Gotische spraakkunsten zijn van F. L. Stamm, Ulfilas. Tut. Grammatik WOrterbuch, Paderborn 1858, 3te Aufl. besorgt von Moritz Heyne (1865), -lOteAufl. besorgt von Ferd. Wrede(1903;, van Wilhelm Braune, Gotische Grammatik, 5te Autl. Halie 19U0en van Wilhelm Streitberg, Gotisches Elementarbuch, Heidelberg 1900. Het uitvoerigste Gotische woordenboek is van Ernst Schulze, Gotisches Glossar, Magdeburg -1847; daarnaast heeft men C. C. ühlenbeck, Kwzqefasstes etymologisches Wörterbuch der gotischen Sprache, 2te Aufl. Amst. 1900.

Dr. Jan te Winkel, Geschiedenis der Nederlandsche taal. 29

Sluiten