Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

germaansche ê bewaard, die elders d werd, en van de medeklinkers de gelabialiseerde velaren q en hv (ook in 't midden der woorden) die in de andere talen aan t woordbegin Jcw en hw werden en' m t m.dden de labialisatie verloren: vgl. bv. Got qistjan, naqaths sigqan, hveits, saihvan, fairhvus en ook saggvs, siggvan met Ohd ehwtstan, Ags. nacod, sincan, hwit, Ohd. sehan, ferah en »ang,*inaan,

KI ,. •? **' nmkt' zinhen> wit' zien' *an9, zingen. Verder bleef ook th vóór l (zie bl. 143) en bleef de *, schoon vaak verscherpt tot 6' ook na de n in den uitgang m van den Acc Plur.

168k Tl*'. 235 vl8)" 1° ^t Gotisch zijn nog voorbeelden van het substantief in stamvorm als Vocatief gebruikt De pronommale vormen van den tweeden persoon thus, thuk en/«.hebben e oorspronkelijke u nog bewaard (zie bl 253;. De Mann. en ouw. ^Som. Sing. van t Pronomen van den derden persoon,

,18 n°g in volle 8ebruik («e bl. 253). Bij de vervoeging der werkwoorden zijn de mediopassiefvormen nog niet in onbruik evenmin als de eerste en tweede pers. Dualis van alle tijden der' werkwoorden, en de derde pers. Sing en eerste pers. Plur. van den Imperatief. De * van den tweeden pers. Sing van 't Praetentum heeft zich gehandhaafd (zie bl. 259) en evenzoo bij eene geheele klasse van werkwoorden ook de reduplicatie (zie bl. 106 v]g> Het Praetentum doet zoowel voor Perfectum als voor Imperfectum dienst, doch in het Passief vormt men beide tijden ook door omschrijving bepaaldelijk door 't Praeteritum van wisan en wairthan met het Participium Perfecti. Het Praet. van wixan dient ook ter omschrijving van het Plusquamperfectum en het Praesens van ~ook voor het Perfectum. Het Futurum wordt meestal door het Praesens uitgedrukt, maar ook door vormen van Man (moeten), dWnnan (beginnen) en hahan (hebben te) met den Infinitief. Eigenaardig voor het Gotisch zijn nog de vele inchoatieve werkwoorden met ldg. ^-suffix (zie boven bl. 420), de wijze, waarop e rekkelijke en onbepaalde voornaamwoorden gevormd worden de adverbia op la (bv. hardula = hard) en die op th en d ,bv' dalath, naar beneden, Mnl. fe dale, en jaind, daarheen). Ook kan nog op een spoor van incorporatie als eene Gotische eigenaardigheid gewezen worden (zie bl. 96).

Op een jonger standpunt dan vele andere Germaansche talen s aat het Gotisch met zijn ddj en ggw voor jj en ww (zie boven bl. 419), met zijn overgang van korte e en o in en « in alle

Sluiten