Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was en daarbij eene zekere zelfstandigheid teruggekregen had, ontwaakte ook bij velen weer de lust om het Noorsch als beschaafde spreektaal en als schrijftaal te herstellen. Vooral de taalbeoefenaar I. Aasbn is er in geslaagd, uit de Oostelijke en Westelijke dialecten eene meer algemeene Noorsche taal te vormen, waarvoor in „Det norske Samlag" (in 1868 gesticht) krachtig propaganda wordt gemaakt. Toch is het Deensch nog altijd de taal der beschaafden, maar als litteraire taal heeft het Noorsch door mannen als Björnson en Ibsen ook buiten Noorwegen zijn weg weten te

vinden.

De Oostnoordsche groep bestaat uit het Zweedsch en Deensch, die in den oudsten vorm, waarin zij overgeleverd zijn, slechts op ondergeschikte punten van elkaar afwijken, maar later ieder eene zelfstandige ontwikkeling hebben gehad en dan merkbaar uiteen gaan. Eene gemeenschappelijke eigenaardigheid van beide echter is steeds gebleven de in het Oudnoorsch eerst omstreeks 1200 opkomende en in het Zweedsch en Deensch later ingevoerde plaatsing van het verbuigbare bepalend lidwoord (Mann. en Vrouw, en, Onz. et) achter het substantief, bv. Onz. Zweedsch, Deensch hordei (de tafel), Mann. Zweedsch mannen, Deensch manden (de man), Vrouw. Zweedsch sleden (de lepel); het Deensch onderscheidt mannelijk en vrouwelijk geslacht niet meer. Het onbepalend lidwoord (Zweedsch en, ett, Deensch en, et) daarentegen staat vóór het substantief, evenals het bepalend lidwoord (Zweedsch, Deensch den, det> vóór het adjectief, dat als attribuut aan een substantief voorafgaat.

Het Zweedsch ■) wordt tegenwoordig gesproken in Zweden (oudtijds werd in West-Zweden Noorsch, in Zuid-Zweden Deensch gesproken) en op de eilanden Gothland, Eunö, Dagö en andere Esthlandsche eilanden en in een klein gedeelte van de Esthlandsche en Finsche kust, waar het gebied van het Zweedsch voorheen uitgebreid was, maar allengs meer geslonken is. In de middeleeuwen waren er ook elders Zweedsche koloniën in Eusland, en tot omstreeks 1300 toe was Zweedsch zelfs de taal van Novgorod. De oudste vorm van het Zweedsch is ons door een groot aantal runeninscripties bekend, die zekere afwijking vertoonen van de toch ook tot

i) Zie Adolf Noreen, Attschwedische Grammatik, Halle 1897—1901. Van eene zeer uitvoerige Nysrensk Grammatik gaf A. Noreen in 1903 het eerste gedeelte uit.

Sluiten