Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I.

Maria stond buiten bij het graf weenende. Als zij dan weende, hukte zij in het graf, en zag tiree engelen in uitte Ideederen zitten, éénen aan het hoofd en éénen aan de voeten, waar het lichaam van Jezus gelegen had. En die zeiden tot haar : „Vrouw, wat weent gij?" Zij zeide tot hen: „Omdat zij mijnen Heer neggenomen hebben, en ik weet niet waar zij hem gelegd hebbenZiedaar wel het beeld der smart, der stomme smart, die slechts met zich zelve bezig is, die ziet zonder te bemerken, die hoort zonder te verstaan. Zij staat daar vóór het geopende graf; zij is er niet over verwonderd dat liet geopend is ; zij vraagt niet: hoe te verklaren dat het geopend is ? Zij vraagt er niet naar, zij onderzoekt het niet. Haar verstand door hare smart beneveld, heeft slechts ééne verklaring toegelaten, de verklaring namelijk (vreemde overeenstemming) die de overpriesters van hunne zijde besloten hadden te geven, indien het gebeuren mocht dat het graf ledig gevonden werd. Het lichaam is gestolen ; zoo denkt zij. Alleenlijk, terwijl de Joden zullen zeggen, dat de discipelen den diefstal hebbeit gepleegd, zoo denkt zij, dat de roof door de vijanden is geschied, dat zij zelfs de heiligheid van den dood niet geëerbiedigd noch aan hun slachtoffer de rust des grafs hebben gegund. Hieraan twijfelt zij niet, zij heeft geene andere mogelijkheid aangenomen : zoo geheel vervuld als zij is met hare droefheid, kan zij er geene andere aannemen. Zij is het feit met hare uitlegging daarvan, als waren beide slechts ééne zaak, aan Simon Petrus en aan den anderen discipel dien Jezus liefhad, gaan verhalen : zij hebben mijnen Heer weggenomen, en ik weet niet waar zij hem gelegd hebben. En nu, zonder zich te bekommeren over hetgeen deze discipelen zullen doen, over het onderzoek dat zij zullen instellen, over de uitkomsten die zij zullen verkrijgen, vervolgt zij haren weg; en deze weg brengt haar spoedig bij het graf, bij dat graf, de eenige plaats op aarde die nog spreekt tot

Sluiten