Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

integendeel hij heeft de schande veracht; het kruis was zijne verheerlijking. Wat wettigt ons dan 0111 het kruis te noemen een smaad en eene schande? Ach! die vrees voor het kruis, d. i. voor den smaad en de verwerping der wereld, is het teeken dat wij der wereld toebehooren, dat wij, den Heer wellicht liefhebbende, toch liever Hem tot ons zien afdalen dan dat wij tot Hem opklimmen. Ja, wij willen een Christus hebben die ons natuurlijk leven versiere; maar wij willen hem dat natuurlijke leven niet opofferen; zulk eene verhooging als de zijne is, op dien weg verkregen, zie, die willen wij niet.

Indien gij mijne bedoeling recht begrijpt — en ik hoop dat gij die begrijpt — ach! dan steek ik wellicht onbarmhartiglijk de hand in veler zelfbedrog. Maar moet niet alle begoocheling waardoor wij ons zeiven niet kennen, onbarmhartig verscheurd worden ? Is dit niet barmhartig ? Is het niet waar dat een geloof aan Christus dat ons in ons natuurlijk leven laat ons dat leven niet ter liefde voor Hem doet opofferen, een geloof dat een plaats bekleedt in ons leven, al is die plaats ook nog zoo ruim, maar dat niet ons leven zelf is, dat zulk een geloof nog niet het zaligmakend geloof is ? Met zulk een geloof behooren wij nog deiwereld toe, en hooren wij het woord dat tot de wereld gesproken wordt: „waar ik henenga leunt gij mij niet volgen."

O, zalig wij, wanneer wij de tweespalt tusschen wereld en Christus duidelijk erkennende, ziende dat de keus noodzakelijk, onvermijdelijk is, nu niet meer tegen Christus en vóór de wereld kunnen kiezen; zalig wij, wanneer wij, ondanks onzen hof van Kajaphas en wat daar geschied is of nog geschiedt, ook na zulke ervaringen toch nog kunnen zeggen met dezen jonger: „Heer! gij weet alle dingen, gij weet dat ik u liefheb." Zalig wij, wanneer wij op het woord des Heeren : volg mij, ziende dat zijn weg een kruisweg is, nu toch volgen en liet met volle bewustheid uitspreken : is daar geen andere weg 0111 11 te volgen dan deze, welnu dan aan het kruis met 11. Zalig wij: want wat wij niet kunnen in ons zeiven dat kunnen wij nu door Hem. Aan ons niet

Sluiten