Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat zedelijk leven te verklaren, dan ware zij niet meer waar, dan zou zij geheel God tot oorsprong maken van het kwaad.

Er wordt gezegd van het hart des konings, dat het in de hand des Heeren is. Welnu, door deze beperking, indien het eene beperking is, vinden wij de aanwijzing dat de koning hier niet wordt beschouwd als een gewoon mensch, als een type van den mensch, maar dat juist de geheele kracht der uitspraak hierin bestaat, dat zij betrekking heeft op de ambtelijke persoonlijkheid des konings, dat de koning hier het type is der oppermacht en niet der menschheid als zoodanig. Het gansche gebied der zedelijke verantwoordelijkheid is alzoo buiten gesloten. Het is waar: eene verantwoordelijkheid rust op den mensch, en ook op den koning als mensch. Ook den koning is het mogelijk eene keuze te doen tusschen goed en kwaad; en nochtans als koning kan hij, naar ons tekstwoord, alleen den wil des Heeren volbrengen. Indien er van den mensch in het algemeen kan worden gezegd, dat hij zijnen weg overlegt maar dat God de uitkomst geeft; dat de mensch wikt, maar dat God beschikt: zoo is deze waarheid het krachtigst, — en dit de kern van de spreuk van onzen tekst — daar waar de mensch alzoo geplaatst is, dat zijn wikken als het ware almachtig schijnt te zijn, waar de mensch schijnbaar eene zaak slechts heeft te willen om haar te kunnen volbrengen. De koning naar de oostersche voorstelling het beeld der almacht, is meer onmiddellijk onder het opperbestuur van den waren Opperheer geplaatst dan ieder ander, die aan onderscheidene menschelijke machten is onderworpen. Hierin ligt de kern der gedachte van onzen tekst. Die gedachte wordt daardoor eene troostrijke gedachte; eene gedachte wel geschikt om ons te verheifen in een tijd waarin velen angstvallig vragen: wat is toch de raad der koningen ? welke zijn de geheime gedachten in de harten der koningen? Wij willen de drie volgende vragen behandelen:

I. Wat wij te verstaan hebben door het hart des konings.

II. Hoe God er mede handelt.

III. Wat het doel is van dit werk Gods.

Sluiten