Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I.

Het hart van eenen koning. Zegt gij dat het een hart is, gelijk aan dat van ieder ander mensch ? Ik stem het toe, maar ik vraag n: wat verstaat gij door het hart van ieder ander mensch ? Zegt gij dat al de harten der menschen zijn van dezelfde soort, dat een hart niet verschilt van een ander hart? Ik antwoord u dat gij door uwe alledaagsche, platte beschouwing van den mensch blijk geeft van eene groote minachting der menschelijke natuur, en daardoor van eene groote minachting van u zeiven, en dat gij niet verstaat wat het zegt, dat God den mensch naar zijn beeld heeft geschapen; indien ten minste in uwe oogen God geen dood wezen maar een levende God is. Maar gij kunt het wel beweren. Indien uwe daden in overeenstemming waren met uwe woorden, dan zouden uwe kinderen u onverschillig zijn. en gij zoudt het dulden dat men ze voor andere ruilde. Juist uwe gehechtheid aan uwe kinderen bewijst, dat gij in de menschen meer ziet dan exemplaren van ééne soort. Ieder mensch is eene wereld. Ieder hart is eene nieuwe schepping Gods; maar eene schepping in de schepping, die voor het ééne nieuwe element dat zij medebrengt, de werking ondervindt van al de elementen waarmede zij in aanraking komt, dat is te zeggen van alle die reeds geweest zijn en die bestaan en die te zamen de wereld uitmaken. De geheele wereld oefent hare werking op ons uit, wij ondervinden hare invloeden; en nochtans wordt onze individualiteit door al deze werkingen niet opgelost: wij blijven ons zeiven: de inwendige wereld die ons persoonlijk eigendom is. hoezeer ook door de buitenwereld gevormd, doet wederkeerig aan deze haren invloed gevoelen. Hierdoor nu kunnen wij begrijpen wat wij door het hart van eenen koning te verstaan hebben. Indien namelijk ieder hart de vrucht is van twee werkingen, waarvan de eene ondergaan wordt en de andere eene terugwerking is, zoo vloeit hieruit voort dat hoe sterker en bepaalder de

Sluiten