Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te vervullen tegenover eenen arbeid door zoo vele krachten gevormd als waarvan liet nationale leven ons het schouwspel biedt? Is het niet deze : de besturende macht te zijn, de weegschaal te dragen en het evenwicht te bewaren? Maar beantwoordt de werkelijkheid aan dit ideaal? Is er niet hier, even als bij alle menschelijke betrekkingen, een wanklank tusschen het ideaal, de roeping en de werkelijkheid? Veronderstelt eens eenen koning, die geene andere belangen kent dan die van zijn volk, eenen koning wiens macht ontsproten is uit de diepste werkplaatsen der geschiedenis van zijn volk, geworteld in het hart van dat volk (en er zijn nog zulke koningen) ; welnu wat is er dan zelfs niet toe noodig. om verstandelijk en zedelijk op de hoogte te zijn der behoeften des volks, om de eischen van den tijd te verstaan, om in de verschillende richtingen en partijen al het wettige en heilzame van het onwettige en heillooze te onderscheiden, om in één woord alzoo op de hoogte te zijn van de beschaving van zijn volk, dat die hoogte verstaan worde, en tegelijker tijd aan de verheffing des volks gearbeid ? Is er niet groot gevaar, dat de persoon van den monarch de toekomst van zijn volk te goeder trouw in een der partijen die het samenstelt zal stellen, en dat hij daardoor meer het hoofd eener partij dan de vorst der natie worde ? Toont de geschiedenis ons niet vorsten die de overlevering, en vorsten die de revolutie vertegenwoordigen, beiden voortgedreven door eene partij sterker dan zij zeiven, of eerder nog door het noodlot van een beginsel, dat zij niet beheerschten maar waarvan zij de speelbal waren; en vinden wij alzoo niet door de meest onwederspiekelijke ervaring bewaarheid, dat, hoe hooger men geplaatst is, hoe moeilijker het is om zich zelf te zijn? En is het niet om deze ervaringen ; ervaringen van eene veel ergere dwingelandij dan die van het persoonlijk despotisme, ik bedoel de dweepzucht der partijen ; dat de nieuwere maatschappij de koninklijke macht beperkt heeft ? Het is hier niet de plaats 0111 aard en vruchten dezer pogingen te beoordeelen, omdat wanneer de dienaar des evangelies deze onderwerpen aanroert, hij zich aan de heldere «ewesten der II. 7

Sluiten