Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den herderlijken titel in het Nieuwe en dien in liet O. Verbond volstrekt geen overeenkomst, volstrekt geen punten van vergelijking bestaan? Dit ware niet anders dan de betrekking van O. en N. Verbond loochenen; dit zoude een miskennen zijn van den geestelijken aard van het oud-testamentische koningschap, en van het koninklijk karakter van het volk Gods in oud en nieuw verbond beide. Ja, dit ware de koninklijke waardigheid van het Hoofd der gemeente, van Hem die toch immers de Messias, de koning Israëls is, te na getreden. Wilt gij weten hoe den koning lsraëls eene geestelijke leiding van zijn volk was opgedragen, hoort hoe de Profeet des O. Verbonds in naam van Jehova tegen de ontrouwe herders, d. i. tegen de koningen die het volk Gods onderdrukten , profeteert, en hoe hij daartegenover liet beeld schetst van den waren herder, van den waarachtigen gezalfde des Heeren. Zoo geschiedde het woord des Heeren tot Ezechiël, den Profeet: inenschenkind, profeteer tegen de herders van Israël, profeteer en zeg tot hen, tot de herders: Al zoo zegt de Heere Heere: Wee den herderen Israëls, die zichzelven weiden. Zullen niet de herders de schapen weiden ? Gij eet het vette en bekleedt u met de wol, gij slacht het gemeste, maar de schapen tveidt gij niet.... Daarom zegt de Heere Heere alzoo tot hen... Ik zal eenen eenigen herder over hen verwekken, en hij aal hen weiden, namelijk mijn knecht üavid; die zal hen weiden, en die zal hun tot een herder zijn . . . (Ezech. XXXIV : 2, 3, 20, 23). Genoeg om u te doen zien, dat de koninklijke waardigheid in het O. Verbond, wel verre van te bestaan in eene volstrekte oppermacht over het volk Gods, in een willekeurig gezag opgelegd aan de gekochten des Heeren, integendeel in hem die haar bekleedde die zelfverloochening der liefde, dien rijkdom van genade en erbarming vereischte waardoor hij de vertegenwoordiger Gods en in waarheid de gezalfde des Heeren mocht genaamd worden.

Hier nu ligt ook het punt van overgang tusschen het ambt der leidslieden van Israël en de nederige, maar volheerlijke bediening des N. Testaments.

Sluiten