Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onheilspellend zijn, die niet roepen: vrede, vrede, 'tgaat alles wel! Zij zijn verheerlijkt.

Maar zegt gij, dit gaat te ver; zeg: zij zullen verheerlijkt worden, maar niet dat zij het reeds zijn. Ik zou echter het woord des apostels, de gedachte des H. Geestes niet wedergeven, indien ik dit woord aldus vertolkte. De apostel denkt wel degelijk aan eene tegenwoordige heerlijkheid, tegenwoordig, daar zij eeuwig is, onafscheidelijk van het leven van Christus. Heeft hij niet vroeger in dezen brief gezegd : wij roemen in de verdrukkingen (V : 3) ? Dit is zijne grondgedachte: hoe zwaarder de verdrukkingen, de ellende, de beproevingen, de vervolgingen, des te grooter de heerlijkheid. Het kruis, het kruis, zietdaar de heerlijkheid in de wereld. Zietdaar de ware gelijkvormigheid aan den Zoon. De wereld heeft den Heer der heerlijkheid gekruisigd: welnu, vrijgekochten door dien Zoon, onderdanen van dien koning, kinderen zijns Vaders, de wereld zal u ook kruisigen Zietdaar, ik zeg niet uw lot, uw erfdeel, maar uwe heerlijkheid in deze wereld. Het kruis is uwe eerekroon in de wereld. Aan het kruis ontvouwt zich het eeuwige leven van uwe ziel, aan het kruis opent de oneindige liefde al hare levensbronnen. In het vuur des lijdens verteert al wat nog wereldsch, zondig en dood in u was, en het zuivere goud des woords wordt gehard en gelouterd. De eeuwige tempel Gods, de gemeente, komt helder schitterend te voorschijn uit den vurigen oven; en elk der steenen, waarmede hij is opgetrokken, wordt een edelgesteente, een juweel stralend van licht.

Is dit alzoo, dan begrijpen wij dat de apostel van de verheerlijking spreekt als van eene reeds volbrachte zaak. Hen die Hij gerechtvaardigd heeft, die heeft Hij ook verheerlijkt. Dan begrijpen wij hoe hij, te midden van de bitterheid des levens, van de duizend teleurstellingen van het christelijk leven, met volle zekerheid zeggen kan: (die dingen werken mede ten goede van hen, die God liefhebben. Al die dingen, levenssmarten, teleurstellingen, miskenningen, zijn noodig; zij behooren alle tot het eeuwige voornemen van God. Er is geene andere heerlijkheid

Sluiten