Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gaande het leven uitloopende op het vraagstuk aangaande den dood!... Zietdaar, zietdaar, de derde, de laatste, de meest som bei e onderwijzing van het geweten, zij die over de twee voorafgaande hare donkere schaduw verspreidt, (teen wonder voorwaar, dat de mensch, wanneer hij zijn hart doorzoekende den blik in dien duisteren afgrond werpt, zich verschrikt zoo spoedig mogelijk afwendt met alle kracht die in hem is, die troostelooze openbaringen van zich afstoot en zich stort in de bedwelming der wanhoop. Wij zouden bijna zeggen dat niets natuurlijker ware dan dat, indien God hem zulke dingen te zeggen heeft, hij zich van God afwende voor altijd, en altijd tegen Hem twiste. \\ ij zouden bijna zeggen dat de gehoorzaamheid aan de ongerechtigheid onvermijdelijk, noodlottig ware. Zóó zouden wij spreken, ware het niet dat juist daarin, dat de mensch in staat is om die troostelooze ontdekkingen te doen, die wij u hebben aangewezen, in staat 0111 zoodanige openbaringen te ontvangen, dat juist daarin eene openbaring ligt van meer bevredigenden aard. Ik bob van drie openbaringen \an het geweten gesproken, de eene nog treuriger dan de andere;ik had u eene vierde moeten noemen, eene vierde die zich aansluit aan de drie vorige en die een vreemd licht daarover verspreidt, een licht dat niet van de aarde is. „Wie ben ik dan toch, 0111 aldus mijne ellende in te zien? Wie ben ik, 0111 mijnen smaad, mijne schande en mijne ellende in te zien? \\ ie ben ik, 0111 daaidoor te lijden?" Misschien wilt gij niet lijden; maar gelooft het, 0! gelooft het: liet lijden is onze hoop, liet lijden zegt ons dat alles nog niet verloren is. Indien ik verloren ware, zoude ik het wel gevoelen? Indien ik werkelijk dood ware, zoude ik er liet besef van hebben? Juist dat ik zooveel lijde, dat ik al de tegenspraak, al de teleurstellingen van mijn leven zoo smartelijk gevoel, juist dat zegt mij, dat er eene verlossing bestaat. Juist omdat God mij z ij 11 toorn doet ondervinden, weet ik dat die (iod niet vei ie van mij is, en dat Hij van nog iets anders dan van toorn tot mij te spreken heeft. En indien ik den blik rondom mij sla, ja, dan aanschouw ik veel ellende, maar toch is alles geene verdoemenis:

Sluiten