Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

begrijpt gij wel den aard en den omvang van dit werk, de kracht van liet woord heiligmaking? Wij zeiden het: er is geene rust dan in het hart Gods, in het hart van den Heilige. Er is dus geene rust dan in de heiligheid. Wij moeten heilig zijn gelijk God heilig is. Ik vraag u niet of gij reeds heilig zijt. Dat gij het niet zijt blijkt al door uw aanzijn, door dat gij in deze wereld leeft, Waart gij heilig, gij zoudt niet meer op aarde zijn. Maar ik vraag u: wenscht gij het te worden ? zoekt gij de heiligmaking ? Ik vraag u niet of het u om den schijn, maar of het u 0111 het wezen der heiligheid te doen is. Wordt niet verstoord, als ik deze onderscheiding maak. Gij hebt ongetwijfeld een afschrik van huichelarij, gij beeft bij de veronderstelling dat gij zoudt veinzen te gelooven, terwijl gij het niet deedt. En toch zoudt gij te goeder trouw in een ontzaglijke, ja doodelijke dwaling kunnen verkeeren ten opzichte van den aard des geloofs en van den aard van het werk Gods. Is het uwe begeerte, voor een christen gehouden te worden ? Bekommert gij u niet, altijd om der wille van het koninkrijk Gods, meer over den goeden indruk dien gij op de mensehen maakt dan over hetgeen gij zelf zijt? Houdt gij het niet voor het eerste doel uws levens dat de wereld uwe tretuisre-

O O

nissen ontvange, en wanneer gij voor het oog der mensehen een misslag begaan hebt, grieft liet u dan niet meer dat uw christelijke naam schade lieett geleden dan dat gij overtreden hebt? Eene zonde die anderen bekend is, wekt die niet meer berouw op dan eene verborgene zonde? Wat kunt gij beter: over God of tot God spreken? Waar zijt gij godsdienstiger, in de kerk of in huis? Hebt gij eenige ontferming, eenige teederheid of mededoogen voor dezulken, die gij als vijanden des Heeren beschouwt? Zijt gij nauwgezet genoeg om den goeden naam te ontzien van menschen die nog geen anderen rechter kennen dan het oordeel dat de wereld uitspreekt, kiesch genoeg om diegenen te sparen wier geweten de vertroostingen der genade nog niet ondervindt; of hebt gij voor de zoodanigen een banvloek op de lippen, en bluscht gij alzoo de rookende vlaswiek

Sluiten