Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is te nauw oni ons door te laten, beladen met al onze goederen, met de gansche vracht onzer schijnverdiensten, Onzer werken, onzer eerzucht. De deur is te nauw voor u, rijken, zij laat slechts arme ellendigen door, die naakt en van alles ontbloot zijn. Indien gij niets hebt dan u zelf, niets dan uwe eigene ziel, al ware die nog zoo vermoeid, zoo gedrukt, zoo diepgezonken, zoo verachtelijk, maar dan toch altijd uwe ziel, gij kunt binnengaan. Maar, zegt gij misschien, het zijn juist mijne zonden waardoor mijne ziel zoo arm, zoo gedrukt is, ik kan toch met mijne zonden niet binnengaan. Neen zeker, dat kunt gij ook niet, maar dien last laat gij aan de deur, en gij gaat alleen binnen. Wat u belet binnen te gaan, het zijn niet uwe zonden, het zijn uwe deugden. Wanneer gij u zóó vertoont, met allerlei versierselen beladen, dan is de deur voor u te nauw, en hij die 'ie deur is zegt tot u: Ik weet niet van waar (jij zijt; die mij toebehooren zijn arme ontbloote schepselen die door mijn Vader verrijkt worden; mijn Vader heeft uwe rijkdommen niet van noode.

Zoo is de deur voor geen enkelen van u te nauw, wanneer gij maar als bedelaars wilt komen. Als bedelaars! Maar, zegt gij, wat beteekent dan de strijd, dien men moet strijden om in te gaan? Is dat dan niet de strijd der heiligmaking, zijn dat niet de pogingen die men moet aanwenden om zich waardiglijk te vertoonen voor den koning, om bekleed en niet naakt te worden bevonden? Zulke pogingen vinden wij geschetst in de woorden: velen zullen zoeken in te yuan, maar zullen niet kunnen. Door het woord dat men vertaald heeft met „zij zullen niet kunnen ingaan''' worden juist aangeduid die zeer moeilijke pogingen, die zware arbeid, die vreeselijke strijd, waardoor men eene gerechtigheid denkt te verkrijgen die men toch nooit bereiken kan. Velen zullen eene hoogste, eene wanhopige poging aanwenden om in te gaan, maar zij zullen niet kunnen; zij strijden, strijden altijd op nieuw, maar bezwijken steeds, de zonde blijft hun altijd aankleven, hunne deugden zijn gansch bezoedeld; zij hebben ziehzelven het bruiloftskleed willen weven, en ziet, zij zijn slechts met be-

Sluiten