Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE RECHTVAARDIGMAKING UIT HET GELOOF.

II.

Nadat de Apostel Paulus in de twee eerste hoofdstukken van dezen brief aan de Romeinen den zondigen toestand beschreven heeft, waarin beide Joden en Heidenen zich bevonden, haast hij zich ten einde alle misverstand aangaande den aard zijner woorden te voorkomen, reeds van het begin van ons teksthoofdstuk af, aan te toonen, dat door dien zondigen toestand der Joden in geene deele vernietigd wordt noch hunne uitverkiezing als volk Gods noch de waarde der instellingen waarop hun volksbestaan rust noch de waarheid van het woord Gods dat aan hen was toevertrouwd. Deze voorrechten heeft het joodsche volk echter niet te danken aan eenige verdienste, die het daarop aanspraak zou geven; neen, zij zijn de gave eener vrije genade. Wat dan, zegt de apostel in het 9de vers, zijn wij uitnemender? Ganschclijk niet, vervolgt hij, want wij hebben te voren overtuigd ') beide Joden en Grieken dat zij allen onder de zonde zijn.

Ik wenschte wel dat ik deze laatste woorden ook kon toepassen op onze vorige ontwikkeling der apostolische hoofdgedachte in dezen tekst vervat. Wij hebben het ontkennend gedeelte van de stelling des Apostels aangaande de rechtvaardigmaking behandeld. Wij hebben gezien dat de zondaar niet kan gerechtvaardigd worden door de werken der wet, daar door de wet slechts de kennis der zonde is. Ik heb mij voorgesteld in deze

*) Naar de fransche vertaling: cunvciincv. I)e hollandsche, de staten overzM heeft beschuldigd. Het grieksehe woord vereenigt beide deze begrippen.

Sluiten